header wiki – Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

31 Onder stoom!

Uit Huis van de Nijmeegse geschiedenis

Ga naar: navigatie, zoeken
Periode: 
Voor de Nijmeegse handel en industrie was transport van groot belang. Tot begin negentiende eeuw waren producten en personen vooral aan- en afgevoerd met zeilschepen, karren en diligences. Daarna deed de stoom zijn intrede. Niet alleen in de scheepvaart, maar ook op het spoor.

De oprichting van de eerste Nijmeegse stoombootmaatschappij was een direct gevolg van concurrentie uit Rotterdam. In 1823 kreeg de Rotterdamse nsm (Nederlandsche Stoombootmaatschappij)van koning Willem I verlof voor een geregelde vaart tussen Rotterdam en Nijmegen, later uitgebreid tot Keulen. Dat prikkelde een vijftal Nijmeegse beurtschippers om in 1825 een eigen stoomboot in de vaart te brengen: ‘Willem de Eerste’, die vanaf de Waalkade driemaal per week de verbinding met Rotterdam en Den Haag onderhield. Door de nieuwe technologie daalde het passagierstarief en verminderde de reistijd bovendien sterk. De zeiltocht Nijmegen-Rotterdam kostte minstens een volle dag. Per stoomschip was dat ongeveer zeven uur, rond 1900 zelfs nog maar vijf uur. De Nijmeegse zeilschippers konden tegen deze concurrentie niet op. Ze probeerden met het gebruik van stoomslepers de regelmaat en snelheid van hun verbindingen te verbeteren, maar dat hielp onvoldoende. In 1864 stopten de laatste twee beurtschippers en richtten een tweede Nijmeegse stoombootmaatschappij op. Spoedig volgden nog drie nieuwe stoombootondernemingen. Alleen voor scheepvaart in de zeer nabije omgeving bleven zeilschepen over.

De Nijmeegse ondernemers en handelaren realiseerden zich maar al te goed dat goedkoop transport belangrijk was voor de concurrentiepositie van hun bedrijven. Overal daalden de transportprijzen sterk, maar rond Nijmegen niet genoeg. Met argusogen volgden ze de ontwikkeling van het Nederlandse en Duitse spoorwegnet. Al in 1845 kreeg Arnhem een spoorverbinding met Utrecht en Amsterdam. Nijmegen moest daar nog tientallen jaren op wachten, vooral doordat het Rijk hiervoor eerst twee kostbare spoorbruggen moest aanleggen. De verbinding met Duitsland kwam sneller tot stand. Dankzij een forse gemeentelijke subsidie kon de Nijmeegsche Spoorweg Maatschappij in 1865 het spoor naar Kleef openen, tot groot enthousiasme van de Nijmeegse burgerij.

Ook voor het transport tussen Nijmegen en de omringende dorpen werd stoom ingeschakeld. Dat begon in 1889 met de stoomtram Neerbosch-Hunnerpark-Beek, gevolgd door lijnen naar onder meer Berg en Dal en Druten. Maar voor het lokaal en regionaal transport kreeg stoom al snel concurrentie van elektriciteit. Kort na de opening van de gemeentelijke elektriciteitscentrale in 1908 werd de elektrische stadstram operationeel, een investering van circa één miljoen gulden. Al snel bleek dit een technisch betere, schonere en goedkopere oplossing. De bestaande gillende monsters van de regionale stoomtramwegen werden geleidelijk vervangen door elektrische trams. Zowel de horeca als de boeren in de omgeving profiteerden sterk van deze verbeterde transportmogelijkheden.
Canonicoon31.gif
Schepen, spoorlijnen en tramwegen
circa 1800-1900
Canonlogokaart.jpg
Canon op de kaart
Het station

31 oudestation.jpg

Bron: Paul Klep, in: De Canon van Nijmegen, Uitgeverij Vantilt (Nijmegen 2009)



Locatie in google-maps (nieuw venster)

51° 51' 3", 5° 51' 21"

KENNISBANK
Verder graven in de historie van stad en omgeving
FACEBOOK
Op de hoogte blijven van het laatste nieuws van het Huis
EDUCATIE
Projecten en maatwerk voor het onderwijs
VERHALEN
Verteld verleden