header wiki – Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

9 Stadsrechten

Uit Huis van de Nijmeegse geschiedenis

Ga naar: navigatie, zoeken
Periode: 
Tot en met de twaalfde eeuw was de koninklijke palts het grootste en belangrijkste bouwwerk van Nijmegen. Daarnaast moeten aan de Waaloever altijd enkele huizen gestaan hebben, maar hierover weten we weinig uit archeologische of geschreven bronnen. Waarschijnlijk is een deel van deze nederzetting in de Waal verdwenen.

Pas uit het einde van de twaalfde eeuw hebben we aanwijzingen dat er bij de palts een kleine nederzetting was die stedelijke kenmerken vertoonde. Deze kreeg een officiële stedelijke status in 1230, toen de Duitse koning Hendrik VII besloot aan de inwoners stadsrechten te verlenen. De stad Nijmegen kreeg daardoor dezelfde rechten en vrijheden als de stad Aken en andere steden in het Duitse rijk. Achteraf bezien is het koninklijke Nijmeegse stadsrecht uniek in Nederland. Andere steden ontvingen hun stadsrechten van een hertog of graaf, of van de bisschop van Utrecht. Door het stadsrecht kreeg Nijmegen een zekere autonomie op het gebied van bestuur, rechtspraak en belastingheffing. Voor de dagelijkse leiding over de palts en de stad stelde de koning sinds de twaalfde eeuw een burggraaf aan. Bij de uitoefening van bestuur en rechtspraak werd de burggraaf terzijde gestaan door een aantal schepenen. Dit waren aanzienlijke lieden die namens de koning werden benoemd en meestal uit de burgerij afkomstig waren. Vanuit de burgerij zelf ontstond de stedelijke raad. Deze stelde onder anderen de twee burgemeesters aan, die zich met de financiën en de openbare werken bezighielden.

Na de tijd van Frederik Barbarossa (1152-1190) was de invloed van de Duitse koningen in het huidige Nederland afgenomen. Ze concentreerden zich meer en meer op hun Duitse kerngebieden. Formeel behielden zij in Nederland het hoogste gezag, maar in de praktijk waren het steeds meer de landsheren die hier de macht uitoefenden. Ze deden dat officieel namens de koning, maar feitelijk waren zij onafhankelijk. Voorbeelden van dergelijke landsheren waren de hertog van Brabant, de graaf van Holland, de graaf van Gelre, maar ook de bisschop van Utrecht.

De Duitse koningen werden gekozen en om hun verkiezing te regelen, moesten ze grote sommen geld uitgeven. Zo kon het gebeuren dat graaf Willem II van Holland, toen hij in 1247 tot koning was gekozen, in acute geldnood zat. Daarom leende hij van graaf Otto II van Gelre 10.000 zilvermarken, in die tijd een gigantisch bedrag. Als zekerheid voor de terugbetaling van de lening gaf Willem ii aan de graaf van Gelre de palts en de stad Nijmegen in onderpand. Hierbij hoorde ook het gebied van het Rijk van Nijmegen. In principe konden de Duitse koningen de palts en de stad terugkrijgen door de lening af te lossen. Dit is echter nooit gebeurd, zodat Nijmegen en het Rijk van Nijmegen vanaf

1247 bij het graafschap Gelre hebben gehoord. Voor de graaf van Gelre was dit een belangrijke territoriale aanwinst. De stad Nijmegen beschouwde zichzelf echter niet zonder meer als Gelderse stad, maar eerder als ‘vrije rijksstad’: een stad die rechtstreeks onder het gezag van de Duitse koning viel en dus niet onder het gezag van de graaf van Gelre.
Canonicoon9.gif
Nijmegen wordt Gelders
1230-1247
Canonlogokaart.jpg
Canon op de kaart
Oudst bekende stadszegel van Nijmegen

09 wapenzegel.jpg

Bron: Jan Kuys, in: De Canon van Nijmegen, Uitgeverij Vantilt (Nijmegen 2009)



Locatie in google-maps (nieuw venster)

51° 50' 43", 5° 51' 47"

KENNISBANK
Verder graven in de historie van stad en omgeving
FACEBOOK
Op de hoogte blijven van het laatste nieuws van het Huis
EDUCATIE
Projecten en maatwerk voor het onderwijs
VERHALEN
Verteld verleden