header wiki – Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Algemeen lager onderwijs

Uit Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Ga naar: navigatie, zoeken

Het openbaar lager onderwijs maakt in de 19e eeuw een grote groei door, maar moet aan het begin van de 20e eeuw zijn dominante positie afstaan aan het bijzonder onderwijs, met name door de groeiende katholieke invloed in Nijmegen.

Geschiedenis[bewerken]

Het lager onderwijs telt in het begin van de 19e eeuw een vijftal scholen. Er is een stadsschool met een onderwijzer van de tweede klasse. Dan is er een armenschool met een gereformeerde onderwijzer van de derde klasse en een katholieke onderwijzer zonder rang. In het Schependom tenslotte zijn er drie scholen met ieder een onderwijzer van de derde klasse. Alle personeel in het lager en voortgezette onderwijs wordt van stadswege aangesteld en gesalarieerd.

Het algemeen lager onderwijs bestaat vanaf 1850 uit 7 openbare scholen, die samen 290 leerlingen hebben. Scholen zijn er in Hatert, Neerbosch en Hees, terwijl er in de stad een stadskostschool, een stadsschool en twee stadsarmenscholen zijn met elk ieder een onderwijzend personeelslid. Verder kunnen nog vermeld worden een stadsarmennaaimeesteres en een stadszangmeester. Daarmee is het beeld compleet van het openbaar lager onderwijs, waarop voornamelijk de minvermogenden zijn aangewezen.

Het personeel werkzaam in dit onderwijsveld kost de stad op jaarbasis in totaal f1775,-, terwijl het onderwijzend personeel van het gymnasium f5300,- kost.[1]

L.O.-wet 1857[bewerken]

In 1851 zijn er te Nijmegen zeven openbare lagere scholen, een aantal dat daalt tot zes in 1853 en vijf in 1858. In 1857 wordt een wet op het lager onderwijs uitgevaardigd die hogere eisen stelt aan dat onderwijs. Vijf scholen voldoen aan de nieuwe normen: twee scholen voor meer uitgebreid lager onderwijs en een voor gewoon lager onderwijs in de stad; een voor gewoon lager onderwijs in de buitenwijken Hees en Neerbosch; een voor gewoon lager onderwijs in Hatert. Het aantal onderwijzers is gelijk aan dat der scholen. Als gevolg van de L.O.-wet van 1857 wordt de bestaande schoolcommissie vervangen door een nieuwe plaatselijke schoolcommissie. Het belangrijkste gevolg van de onderwijswet is dat de bekostiging van het onderwijs anders geregeld wordt. De salariskosten van het onderwijspersoneel komen niet langer ten laste van de gemeente, maar worden door het Rijk gedragen. Tegelijkertijd worden bij raadsbesluit per 1 januari 1858 de toelagen afgeschaft die voorheen verleend werden aan onderwijzers die werkzaam waren op scholen verbonden aan diaconieën en armbesturen.[2]

Groei[bewerken]

De jaren 1850 tot 1860 vormen het eerste en meteen het laatste decennium waarin kwantitatief van een daling sprake is. In 1860 begint een stijgende lijn met de aanstelling van een extra hulponderwijzer. Vervolgens komt er in 1862 in de stad een tweede school voor gewoon lager onderwijs bij, terwijl in 1872 de buitenwijken er een school bij krijgen. Hees, Neerbosch en Hatert hebben vanaf dat jaar ieder een eigen openbare lagere school. Het aantal onderwijsgevenden is intussen sterker gegroeid dan het aantal scholen. De bezetting in 1872 is: zeven hoofdonderwijzers; dertien hulponderwijzers; tien betaalde en acht onbetaalde kwekelingen.

Het onderwijs maakt het laatste kwart van de 19e eeuw een sterke groei door. Deels is die groei toe te schrijven aan de toename van de bevolking na de opheffing van de vestingstatus. Voor een veel groter deel ligt het aan een cultuuromslag: onderwijs is niet langer een gunst voor de arme, maar is een recht voor iedere staatsburger. De onderwijswet van 1878 belichaamt die cultuuromslag. Bovendien wordt door deze wet het openbare lagere onderwijs, tot dan toe een gemeentelijke aangelegenheid, een gemengd Rijks- en gemeentebelang.[3] De overheden stellen steeds grotere budgetten beschikbaar voor het onderwijs. De groei laat zich dan ook niet alleen vertalen in meer en beter opgeleid onderwijzend personeel, maar ook in betere huisvesting, beter schoolmeubilair en betere leermiddelen. Ruimere budgetten maken ook een betere betaling van de onderwijskrachten mogelijk.

Onderwijswet 1878[bewerken]

De onderwijswet van 17 augustus 1878 treedt op 1 november 1880 in werking. Te Nijmegen stelt de gemeenteraad nieuwe verordeningen op voor het lager onderwijs, zodat het onderwijs aan de nieuwe normen voldoet. Gedeputeerde Staten wensen echter niet akkoord te gaan met de nieuwe verordeningen. Een jaar later worden de nieuwe verordeningen alsnog van kracht. De eerste decennia na de nieuwe onderwijswet laten in Nijmegen een aanzienlijke groei van het openbaar lager onderwijs zien. Het aantal onderwijzenden groeit van 26 in 1880 naar 39 in 1890. Behalve zeven hoofdonderwijzers zijn er twintig onderzers, twee onderwijzeressen en bovendien nog tien onderwijzeressen voor nuttige handwerken. Het aantal scholen blijft voorlopig zeven. In 1900 zijn enkele oude schoolgebouwen door nieuwe vervangen en in 1897 wordt het getal der scholen met één vermeerderd. Bij de eeuwwisseling staan twee scholen in het oude deel der stad, twee bevinden zich in het nieuwe gedeelte van de stad en twee te Hees. Neerbosch en Hatert hebben ieder een school. Het aantal leerkrachten van deze acht scholen bedraagt dan inmiddels 61.

Sluitingen en fusies[bewerken]

Het openbaar lager onderwijs dat vanaf het midden van de 19e eeuw kwalitatief en kwantitatief een ongekende bloeiperiode doormaakte moet in de eerste helft van de 20e eeuw een stap terug doen. In het verzuilde Nijmegen, waar de katholieken en meer in het bijzonder de RKSP het voor het zeggen hebben, wordt deze periode de ene na de andere openbare school gesloten. In 1919 zijn er nog twaalf openbare scholen voor lager onderwijs. In 1921 besluit de raad de openbare school te Hatert op te heffen. Het schoolgebouw zal ter beschikking worden gesteld aan de RK lagere school die vanwege haar zuigkracht de openbare overbodig maakt.[4] Dit patroon herhaalt zich in de komende jaren. Openbare scholen sluiten voorgoed of fuseren. De enige nieuw gebouwde openbare lagere school die nog haar poorten opent is de school voor BLO aan de Timorstraat/Celebesstraat. Het openbare onderwijs kent in 1937 behalve genoemde school voor buitengewoon lager onderwijs nog slecht één ULO aan de Gerard Noodtstraat en vier lagere scholen. Deze zes scholen maken minder dan 10% uit van het totale lager onderwijs in Nijmegen.[5] Op het eind van deze periode zijn er zelfs nog maar vijf openbare scholen voor lager onderwijs over, van de vier 'gewone' lagere school resteren er sinds 1939 nog slechts drie.[6]

Het openbaar lager onderwijs blijft in Nijmegen ook na de oorlog een minderheidspositie innemen. Op een totaal van 55 lagere scholen telt de stad kort na de oorlog slechts drie openbare scholen voor gewoon lager onderwijs.[7] Pas in de jaren tachtig, als de integratie van het lager en kleuteronderwijs uitmondt in een nieuw basisonderwijs, komt er een vierde, en vervolgens een vijfde, openbare school. Dit is overeenkomstig het uitgangspunt van het gemeentelijk beleid ten aanzien van het openbaar primair onderwijs dat streeft naar minimaal één openbare basisschool per stadsdeel.[8]

Voetnoten[bewerken]

  1. S.A.N., seriedelen 1591, rekening Nijmegen, 1850
  2. Gemeenteverslag, 1858, p. 63.
  3. Veldheer, V., Kantelend bestuur. Onderzoek naar de ontwikkeling van taken van het lokale bestuur in de periode 1851-1985, Rijswijk 1994 (Sociale en Culturele Studies 20, Sociaal en Cultureel Planbureau) p. 67.
  4. Gemeenteverslag, 1921, p. 89.
  5. Gemeenteverslag, 1937, p. 96. Het gemeenteverslag van 1937 is het laatst verschenen gedrukte "verslag van den toestand der gemeente Nijmegen". In 1919 waren er naast de 43 bijzondere scholen nog twaalf openbare scholen, zie gemeenteverslag, 1919, p. 152.
  6. Zie S.A.N 19.9334 bouwstoffen onderwijsverslag 1938 en S.A.N. 19.4022, 2a, bouwstoffen onderwijsverslag 1939.
  7. Het onderwijs in Nijmegen, Rapport van de sociaal-economische afdeling van de dienst Publieke Werken en Volkshuisvesting te Nijmegen in samenwerking met het Economisch Technologisch Instituut voor Gelderland te Arnhem, Nijmegen 1950, pp. 8-13.
  8. Onderwijsverslagen Gemeente Nijmegen 1980 e.v. S.A.N. 217-220; Vierjarenplan primair onderwijs 1987-1990, voorstel van het College van B & W, november 1986; Openbaar onderwijs in Nijmegen. Afdeling Voorlichting en Representatie, Nijmegen 1987.

Bronnen[bewerken]

  • Gruppelaar, L., Lokaal bestuur en stedelijke overheid te Nijmegen, 1816-1851, Gemeentearchief Nijmegen, 1994.
  • Gruppelaar, L., Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1851-1919, Gemeentearchief Nijmegen, 1994.
  • Gruppelaar, L., Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1919-1945, Gemeentearchief Nijmegen, 1995.
  • Nabuurs, N., Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1945-1984, Gemeentearchief Nijmegen, 1996.

Verantwoording[bewerken]

Bewerking van de resultaten van onderzoek, gedaan in de jaren 1994-1996, naar lokaal bestuur en gemeentelijke overheid in Nijmegen door Lisette Kuijper (Regionaal Archief Nijmegen, 2010)

KENNISBANK
Verder graven in de historie van stad en omgeving
FACEBOOK
Op de hoogte blijven van het laatste nieuws van het Huis
EDUCATIE
Projecten en maatwerk voor het onderwijs
VERHALEN
Verteld verleden