header wiki – Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Ambt van Chirurgijns en Barbiers Nijmegen

Uit Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Ga naar: navigatie, zoeken
Algemene gegevens
Naam : Ambt van Chirurgijns en Barbiers Nijmegen
Andere naam (namen):

Bestaansperiode: 1611 - 1799
Rechtsvorm:
Voorganger(s):

Opvolger(s):

Hoger orgaan:

Archief
Het archief van deze organisatie is in beheer bij het Regionaal Archief Nijmegen. De toegang met de beschrijving van de stukken is bereikbaar via deze link:
Icoon archief.png
Naar beschrijving archief

Algemene context

In de late middeleeuwen verenigden de stedelijke beoefenaars van beroepen zich in groepen, de zogenoemde gilden en ambachten. Dankzij de gilden waren de beroepen en de geleverde kwaliteit beschermd – er was nauwelijks concurrentie mogelijk door mensen van buiten de stad. Een leerling werd, na goedkeuring door het gilde en meestal tegen betaling, bij een gildelid in de praktijk opgeleid. Als hij de status van gezel had bereikt werkte de leerling een aantal jaren in dienst van zijn meester. Na het afronden van een meesterproef kon hij zich meester noemen. Aan toetreding tot een gilde werden diverse eisen gesteld, zo moest een gildelid het Nijmeegse burgerrecht bezitten. Onder anderen Joden en (vanaf 1592) katholieken waren lange tijd uitgesloten.

Het stadsbestuur had zeggenschap over de gilden: het keurde onder andere de reglementen goed en stelde vast hoeveel leden elk gilde mocht tellen. Anderzijds hadden de gilden ook politieke macht. De leden van de belangrijkste gilden vormden samen het Sinter Claesgilde. Zes tot acht vertegenwoordigers hieruit, de Claesmeesters, controleerden het stadsbestuur en mochten voordrachten doen voor de raad. Na de Reductie van Nijmegen werd het Sinter Claesgilde in 1592 buitenspel gezet.

Geschiedenis

De oorsprong en de oudste geschiedenis van het ambt of gilde van chirurgijns en barbiers binnen Nijmegen liggen in het duister. Als de bronnen voor de eerste maal melding maken van deze corporatie, is zij reeds in reorganisatie. Die eerste vermelding is te vinden in de zogenoemde Ambtsbrief van 30 oktober 1611 (Inventaris, no. 1, fol. 4, en no. 5, stuk 1), uitgevaardigd door het stadsbestuur van Nijmegen op verzoek van het ambt. Daarin werden maatregelen getroffen tot wering van de onwettige uitoefening van de heelkunst en tot verheffing van het wetenschappelijk peil van de chirurgijns door de instelling van een wettelijk examen naar het voorbeeld van andere steden. De toenemende concurrentie van de garnizoensbarbiers en het schielijke overlijden van enige heelmeesters hadden de overlevende gildebroeders de wenselijkheid van een reorganisatie doen inzien. De ter tijd praktiserende chirurgijns onderwierpen zich nog in het najaar van 1611 vrijwillig aan het nieuwe meestersexamen. Een leertijd van drie jaar bij een erkende meester en van tijd tot tijd enkele gemeenschappelijke oefeningen op de snijkamer boven de Kerkboog schenen destijds een voldoende opleiding in deze verantwoordelijke functie te waarborgen. De snijkamer droeg sinds 1679, toen aan de kortstondige verbinding met de Illustere School een einde kwam, aan de gevel het opschrift: 'Collegium Chirurgicum' (Chirurgijnscollege). De voorbijgaande inschakeling in het universitaire verband heeft zeker het peil en het aanzien van de Nijmeegse chirurgijnsopleiding verhoogd. Men ziet dan ook, dat het ambt zich na 1679 de weidse naam van Chirurgijnscollege toe-eigent. In de 18e eeuw zullen de meesters zelfs het predicaat Doctor voeren en door het gildebestuur meestersbullen worden uitgereikt, die uiterlijk weinig van doctorsbullen verschillen (Inventaris, nrs. 34-35). Hun, die niet slaagden voor het meestersexamen, werd het uithangen van de bekkens verboden; wel mochten zij zich bezig houden met de uitoefening van de barbierskunst, waaraan enige heelkundige praktijk van mindere rang was verbonden.

De inrichting van het ambt heeft geen wezenlijke veranderingen ondergaan tot 1799, toen de opheffing plaats had als gevolg van besluiten van het Uitvoerend Bewind van 5 oktober en 24 december 1798. Archief en bezittingen zijn daarna door de commissarissen van het ambt overgeleverd aan de stedelijke gildencommissie. Pogingen tot herstel van het ambt, ondernomen in de dagen van koning Lodewijk Napoleon (1806-1810), leidden niet tot het beoogde doel. De gilden verdwenen in Nederland definitief in 1818. De fondsen en bezittingen van de voormalige gilden werden bij Koninklijk Besluit van 1820 geliquideerd: ze kwamen toe aan de stadsbesturen. De gemeente Nijmegen benoemde vervolgens commissarissen voor het beheer van de fondsen en bezittingen.

Organisatie

Aan het hoofd van het ambt stonden twee meesters, een jonkmeester en een boekhouder. De medicijnmeester, die een enkele maal in de stukken wordt vermeld, schijnt geen bestuursmacht te hebben bezeten. De leden van het bestuur werden gekozen op het feest van de HH. Cosmas en Damianus (27 september), patronen van het ambt, voor de duur van één jaar. De vergaderingen van het Chirurgijnscollege werden gehouden op 'die camer oft het gemack' boven de Kerkboog, die tevens als snijkamer dienst deed en door het stadsbestuur voor deze doeleinden provisioneel was afgestaan in 1613 en in 1641 (Inventaris, no.5, stuk 9, 1641; no.8, stuk 1, 1613). De meesters ofwel de boekhouder in opdracht van hen riepen het college ter vergadering bijeen. Volgens de Ambtsbrief van 1611 kon de convocatie ook geschieden door de jonkmeester. Het vergaderde college stelde resoluties vast betreffende de uitoefening van het ambt en de huishoudelijke zaken en berechtte inwendige geschillen. Het liet zich door een van de meesters en door de boekhouder vertegenwoordigen bij de examens; soms assisteerde het daarbij in zijn geheel. Het vergaderjaar, ambtsjaar en boekjaar liepen van 27 september tot 27 september. Op de vergadering van 27 september had de jaarlijkse bestuursverkiezing plaats en werd de jaarlijkse rekening van ontvangst en uitgaaf van de aftredende boekhouder afgehoord.

Locatie

-: Nijmegen

Bronnen

  • H.D.J. van Schevichaven, "De Nijmeegsche ambten en gilden", in: "Sprokkelingen". Nijmegen 1925. blz.28-41.
  • Dez.,"De genees- en heelkunst in Oud-Nijmegen", in:"Penschetsen uit Nijmegen's verleden",II(Nijmegen 1901) 234-248
  • Th.Boesman, "De examens in de chirurgijnsgilden". Dissertatie Utrecht 1942.

Verantwoording

Inleiding van de toegang op het archief door P.C. Boeren; Hylke Roodenburg. (1942; 2021)



KENNISBANK
Verder graven in de historie van stad en omgeving
FACEBOOK
Op de hoogte blijven van het laatste nieuws van het Huis
EDUCATIE
Projecten en maatwerk voor het onderwijs
VERHALEN
Verteld verleden