Associatie de Geërfden belast met de Krib- en Waterwerken in de Buitenpolder Erlecom

Uit Het Digitale Huis
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Let op: deze website is momenteel onder constructie. Helaas zullen hierdoor niet alle pagina's naar behoren functioneren. Onze excuses voor het ongemak!

Algemene gegevens
Naam : Associatie de Geërfden belast met de Krib- en Waterwerken in de Buitenpolder Erlecom
Andere naam (namen):

{{#if: | * Andere naam::|}} {{#if: | * Andere naam::|}} {{#if: | * [[Andere naam::{{{Andere naam3}}}]]|}} {{#if: | * [[Andere naam::{{{Andere naam4}}}]]|}}

Bestaansperiode: Beginjaar:: - Eindjaar::
Rechtsvorm: Rechtsvorm::
Voorganger(s):

{{#if: Ooijsche, Erlecomsche en Cleefsche buitendijkschen polder| * opvolger van::Ooijsche, Erlecomsche en Cleefsche buitendijkschen polder|}} {{#if: | * opvolger van::|}} {{#if: | * opvolger van::|}} {{#if: | * opvolger van::|}}

Opvolger(s):

{{#if: Buitenpolder Erlecom| * voorganger van::Buitenpolder Erlecom|}} {{#if: | * voorganger van::|}} {{#if: | * voorganger van::|}} {{#if: | * voorganger van::|}}

Hoger orgaan:

{{#if: | Hoger orgaan::|}}

Archief
{{#if: http://studiezaal.nijmegen.nl/ran/_detail.aspx?xmldescid=2126494457%7C Het archief van deze organisatie is in beheer bij het Regionaal Archief Nijmegen. De toegang met de beschrijving van de stukken is bereikbaar via deze link:
|}}

{{#if: | Vindplaats archief:|}}

{{#if: http://studiezaal.nijmegen.nl/ran/_detail.aspx?xmldescid=2126494457%7C
|}}{{#if: http://studiezaal.nijmegen.nl/ran/_detail.aspx?xmldescid=2126494457%7CNaar beschrijving archief|}}{{#if: | |}}

{{#if: De polder van Erlecom lag in een gevaarlijke buitenbocht van de Waal, waardoor een groot gedeelte van de dam schaardijk was. In de 18de eeuw werd de polder, ondanks kostbare maatregelen, door inlagen steeds kleiner.|

Algemene context

De polder van Erlecom lag in een gevaarlijke buitenbocht van de Waal, waardoor een groot gedeelte van de dam schaardijk was. In de 18de eeuw werd de polder, ondanks kostbare maatregelen, door inlagen steeds kleiner. |}}

{{#if: De polder van Erlecom lag in een gevaarlijke buitenbocht van de Waal, waardoor een groot gedeelte van de dam schaardijk was. In de 18de eeuw werd de polder, ondanks kostbare maatregelen, door inlagen steeds kleiner. Zo werd in 1774 het kasteel Kleverenburg buitengedijkt om niet lang daarna in de Waal te verdwijnen (1). Ook van het Kleefse gedeelte ging aanvankelijk veel grond verloren. In 1700 besloeg de polder 738 morgen, in 1800 was daarvan maar liefst 286 morgen verloren gegaan.

Om de dam zoveel mogelijk te sparen werd bij hoogwater de sluis opengezet, zodat het water in de polder van binnenuit voor tegendruk op de dam kon zorgen. De dam werd extra beschermd door bleeswerk en kribben. Deze werken vergden echter veel onderhoud. Het was dan ook een uitkomst dat in 1753 Otto Roeleman van Bylandt, heer van Ooij, het onderhoud en de aanleg van kribben op zich nam. Hij deed deze geste uit eigenbelang, want zijn heerlijkheid lag pal achter de schaardijk. Hij werd tegemoet gekomen in de kosten met toekenning van de eigendom van de aanwassen, die tegen zijn kribben zouden opkomen, en met de visserij op de Waal.

In 1772 lieten de erfgenamen van Van Bylandt weten dat ze van het onderhoud van de kribben afwilden. Een overeenkomst daarover kon echter op de geërfdendag niet voldoende instemming krijgen, zelfs niet toen het risico voor de deelnemers verkleind werd door te bepalen dat jaarlijks niet meer dan 2000 gulden mocht worden besteed, tenzij in bijzondere gevallen. Toch was maar een gedeelte van de geërfden bereid het risico van het kribonderhoud te dragen. Zo ontstond de Associatie van de Kribgeërfden die, tegen het onderhoud van de kribben, gezamenlijk eigenaar werden van de aanwassen. Aanvankelijk waren er tien deelnemers, onder wie Van Randwijck en Van Bylandt. De landerijen die zij inbrachten bleven ook na verkoop aan derden bezwaard met de kriblasten. In 1807 bleek hun oppervlakte 298 morgen te beslaan.

Het kribonderhoud bleek een zware last. Regelmatig wendden de geassocieerden zich tot de polder met het verzoek om financiële bijstand. Toch hadden de kribwerken tenslotte succes. Na een grote inlaag omstreeks 1773, waarbij de oppervlakte van de polder van 492 tot 452 morgen verminderde, bleef deze tot ver in de 19de eeuw ongewijzigd. Maar de grote bedragen die daarmee gemoeid waren, konden op den duur niet meer door het kleine aantal geassocieerden worden opgebracht. In de loop van de 19de eeuw ontving de polder enkele malen een rijkssubsidie. In 1852 was dat 10.000 gulden onder voorwaarde dat de polder zelf een gelijk bedrag zou besteden. De kribgeërfden, die zich de bepaling van het jaarlijks maximum van 2000 gulden herinnerden, waren hier niet toe bereid, terwijl de damgeërfden stelden dat de kribassociatie net zoveel behoorde uit te geven als de veiligheid van de polder zou vereisen. De kribgeërfden wilden echter niet toegeven. De enige oplossing was hen uit te kopen, hergeen in 1856 gebeurde. De kribwerken en de aanwassen werden eigendom van de polder en de kribassociatie hield op te bestaan.
1) Archief Buitenpolder Erlecom, inv.nr. 2815, fol. 97.|

Geschiedenis

De polder van Erlecom lag in een gevaarlijke buitenbocht van de Waal, waardoor een groot gedeelte van de dam schaardijk was. In de 18de eeuw werd de polder, ondanks kostbare maatregelen, door inlagen steeds kleiner. Zo werd in 1774 het kasteel Kleverenburg buitengedijkt om niet lang daarna in de Waal te verdwijnen (1). Ook van het Kleefse gedeelte ging aanvankelijk veel grond verloren. In 1700 besloeg de polder 738 morgen, in 1800 was daarvan maar liefst 286 morgen verloren gegaan.

Om de dam zoveel mogelijk te sparen werd bij hoogwater de sluis opengezet, zodat het water in de polder van binnenuit voor tegendruk op de dam kon zorgen. De dam werd extra beschermd door bleeswerk en kribben. Deze werken vergden echter veel onderhoud. Het was dan ook een uitkomst dat in 1753 Otto Roeleman van Bylandt, heer van Ooij, het onderhoud en de aanleg van kribben op zich nam. Hij deed deze geste uit eigenbelang, want zijn heerlijkheid lag pal achter de schaardijk. Hij werd tegemoet gekomen in de kosten met toekenning van de eigendom van de aanwassen, die tegen zijn kribben zouden opkomen, en met de visserij op de Waal.

In 1772 lieten de erfgenamen van Van Bylandt weten dat ze van het onderhoud van de kribben afwilden. Een overeenkomst daarover kon echter op de geërfdendag niet voldoende instemming krijgen, zelfs niet toen het risico voor de deelnemers verkleind werd door te bepalen dat jaarlijks niet meer dan 2000 gulden mocht worden besteed, tenzij in bijzondere gevallen. Toch was maar een gedeelte van de geërfden bereid het risico van het kribonderhoud te dragen. Zo ontstond de Associatie van de Kribgeërfden die, tegen het onderhoud van de kribben, gezamenlijk eigenaar werden van de aanwassen. Aanvankelijk waren er tien deelnemers, onder wie Van Randwijck en Van Bylandt. De landerijen die zij inbrachten bleven ook na verkoop aan derden bezwaard met de kriblasten. In 1807 bleek hun oppervlakte 298 morgen te beslaan.

Het kribonderhoud bleek een zware last. Regelmatig wendden de geassocieerden zich tot de polder met het verzoek om financiële bijstand. Toch hadden de kribwerken tenslotte succes. Na een grote inlaag omstreeks 1773, waarbij de oppervlakte van de polder van 492 tot 452 morgen verminderde, bleef deze tot ver in de 19de eeuw ongewijzigd. Maar de grote bedragen die daarmee gemoeid waren, konden op den duur niet meer door het kleine aantal geassocieerden worden opgebracht. In de loop van de 19de eeuw ontving de polder enkele malen een rijkssubsidie. In 1852 was dat 10.000 gulden onder voorwaarde dat de polder zelf een gelijk bedrag zou besteden. De kribgeërfden, die zich de bepaling van het jaarlijks maximum van 2000 gulden herinnerden, waren hier niet toe bereid, terwijl de damgeërfden stelden dat de kribassociatie net zoveel behoorde uit te geven als de veiligheid van de polder zou vereisen. De kribgeërfden wilden echter niet toegeven. De enige oplossing was hen uit te kopen, hergeen in 1856 gebeurde. De kribwerken en de aanwassen werden eigendom van de polder en de kribassociatie hield op te bestaan.
1) Archief Buitenpolder Erlecom, inv.nr. 2815, fol. 97. |Van deze organisatie is nog geen beschrijving beschikbaar.}}

{{#if: Onderhoud van krib- men waterwerken langs de Erlecomsedam|

Taken en activiteiten

Onderhoud van krib- men waterwerken langs de Erlecomsedam |}}

{{#if: Samenwerkingsverband van belanghebbende geërfden uit de Ooijsche, Erlecomsche en Cleefsche buitendijkschen polder, later Buitenpolder van Erlecom|

Organisatie

Samenwerkingsverband van belanghebbende geërfden uit de Ooijsche, Erlecomsche en Cleefsche buitendijkschen polder, later Buitenpolder van Erlecom |}}

{{#if: {{#if:-|locatie periode::-:|}}plaatsnaam::Erlecom adres:: {{#if:|locatie in googlemaps|}}
|

Locatie

{{#if:-|locatie periode::-:|}}plaatsnaam::Erlecom adres:: {{#if:|locatie in googlemaps|}}
|}} {{#if: |

|}} {{#if: De polder van Erlecom lag in een gevaarlijke buitenbocht van de Waal, waardoor een groot gedeelte van de dam schaardijk was. In de 18de eeuw werd de polder, ondanks kostbare maatregelen, door inlagen steeds kleiner. Zo werd in 1774 het kasteel Kleverenburg buitengedijkt om niet lang daarna in de Waal te verdwijnen (1). Ook van het Kleefse gedeelte ging aanvankelijk veel grond verloren. In 1700 besloeg de polder 738 morgen, in 1800 was daarvan maar liefst 286 morgen verloren gegaan.

Om de dam zoveel mogelijk te sparen werd bij hoogwater de sluis opengezet, zodat het water in de polder van binnenuit voor tegendruk op de dam kon zorgen. De dam werd extra beschermd door bleeswerk en kribben. Deze werken vergden echter veel onderhoud. Het was dan ook een uitkomst dat in 1753 Otto Roeleman van Bylandt, heer van Ooij, het onderhoud en de aanleg van kribben op zich nam. Hij deed deze geste uit eigenbelang, want zijn heerlijkheid lag pal achter de schaardijk. Hij werd tegemoet gekomen in de kosten met toekenning van de eigendom van de aanwassen, die tegen zijn kribben zouden opkomen, en met de visserij op de Waal.

In 1772 lieten de erfgenamen van Van Bylandt weten dat ze van het onderhoud van de kribben afwilden. Een overeenkomst daarover kon echter op de geërfdendag niet voldoende instemming krijgen, zelfs niet toen het risico voor de deelnemers verkleind werd door te bepalen dat jaarlijks niet meer dan 2000 gulden mocht worden besteed, tenzij in bijzondere gevallen. Toch was maar een gedeelte van de geërfden bereid het risico van het kribonderhoud te dragen. Zo ontstond de Associatie van de Kribgeërfden die, tegen het onderhoud van de kribben, gezamenlijk eigenaar werden van de aanwassen. Aanvankelijk waren er tien deelnemers, onder wie Van Randwijck en Van Bylandt. De landerijen die zij inbrachten bleven ook na verkoop aan derden bezwaard met de kriblasten. In 1807 bleek hun oppervlakte 298 morgen te beslaan.

Het kribonderhoud bleek een zware last. Regelmatig wendden de geassocieerden zich tot de polder met het verzoek om financiële bijstand. Toch hadden de kribwerken tenslotte succes. Na een grote inlaag omstreeks 1773, waarbij de oppervlakte van de polder van 492 tot 452 morgen verminderde, bleef deze tot ver in de 19de eeuw ongewijzigd. Maar de grote bedragen die daarmee gemoeid waren, konden op den duur niet meer door het kleine aantal geassocieerden worden opgebracht. In de loop van de 19de eeuw ontving de polder enkele malen een rijkssubsidie. In 1852 was dat 10.000 gulden onder voorwaarde dat de polder zelf een gelijk bedrag zou besteden. De kribgeërfden, die zich de bepaling van het jaarlijks maximum van 2000 gulden herinnerden, waren hier niet toe bereid, terwijl de damgeërfden stelden dat de kribassociatie net zoveel behoorde uit te geven als de veiligheid van de polder zou vereisen. De kribgeërfden wilden echter niet toegeven. De enige oplossing was hen uit te kopen, hergeen in 1856 gebeurde. De kribwerken en de aanwassen werden eigendom van de polder en de kribassociatie hield op te bestaan.
1) Archief Buitenpolder Erlecom, inv.nr. 2815, fol. 97.| {{#if: *|

Bronnen

|}} |}}

{{#if: De polder van Erlecom lag in een gevaarlijke buitenbocht van de Waal, waardoor een groot gedeelte van de dam schaardijk was. In de 18de eeuw werd de polder, ondanks kostbare maatregelen, door inlagen steeds kleiner. Zo werd in 1774 het kasteel Kleverenburg buitengedijkt om niet lang daarna in de Waal te verdwijnen (1). Ook van het Kleefse gedeelte ging aanvankelijk veel grond verloren. In 1700 besloeg de polder 738 morgen, in 1800 was daarvan maar liefst 286 morgen verloren gegaan.

Om de dam zoveel mogelijk te sparen werd bij hoogwater de sluis opengezet, zodat het water in de polder van binnenuit voor tegendruk op de dam kon zorgen. De dam werd extra beschermd door bleeswerk en kribben. Deze werken vergden echter veel onderhoud. Het was dan ook een uitkomst dat in 1753 Otto Roeleman van Bylandt, heer van Ooij, het onderhoud en de aanleg van kribben op zich nam. Hij deed deze geste uit eigenbelang, want zijn heerlijkheid lag pal achter de schaardijk. Hij werd tegemoet gekomen in de kosten met toekenning van de eigendom van de aanwassen, die tegen zijn kribben zouden opkomen, en met de visserij op de Waal.

In 1772 lieten de erfgenamen van Van Bylandt weten dat ze van het onderhoud van de kribben afwilden. Een overeenkomst daarover kon echter op de geërfdendag niet voldoende instemming krijgen, zelfs niet toen het risico voor de deelnemers verkleind werd door te bepalen dat jaarlijks niet meer dan 2000 gulden mocht worden besteed, tenzij in bijzondere gevallen. Toch was maar een gedeelte van de geërfden bereid het risico van het kribonderhoud te dragen. Zo ontstond de Associatie van de Kribgeërfden die, tegen het onderhoud van de kribben, gezamenlijk eigenaar werden van de aanwassen. Aanvankelijk waren er tien deelnemers, onder wie Van Randwijck en Van Bylandt. De landerijen die zij inbrachten bleven ook na verkoop aan derden bezwaard met de kriblasten. In 1807 bleek hun oppervlakte 298 morgen te beslaan.

Het kribonderhoud bleek een zware last. Regelmatig wendden de geassocieerden zich tot de polder met het verzoek om financiële bijstand. Toch hadden de kribwerken tenslotte succes. Na een grote inlaag omstreeks 1773, waarbij de oppervlakte van de polder van 492 tot 452 morgen verminderde, bleef deze tot ver in de 19de eeuw ongewijzigd. Maar de grote bedragen die daarmee gemoeid waren, konden op den duur niet meer door het kleine aantal geassocieerden worden opgebracht. In de loop van de 19de eeuw ontving de polder enkele malen een rijkssubsidie. In 1852 was dat 10.000 gulden onder voorwaarde dat de polder zelf een gelijk bedrag zou besteden. De kribgeërfden, die zich de bepaling van het jaarlijks maximum van 2000 gulden herinnerden, waren hier niet toe bereid, terwijl de damgeërfden stelden dat de kribassociatie net zoveel behoorde uit te geven als de veiligheid van de polder zou vereisen. De kribgeërfden wilden echter niet toegeven. De enige oplossing was hen uit te kopen, hergeen in 1856 gebeurde. De kribwerken en de aanwassen werden eigendom van de polder en de kribassociatie hield op te bestaan.
1) Archief Buitenpolder Erlecom, inv.nr. 2815, fol. 97.|

Verantwoording

{{#if: G. Boomsma|Inleiding van de toegang op het archief door G. Boomsma.|}} {{#if:1996|(1996)|}}

|}}


{{#if: 1.1 Bestuursinstellingen| |}} {{#if: 07 Waterstaat| |}} {{#if: | [[Categorie:]] |}} {{#if: | [[Categorie:]] |}}

{{#if:693| |}}