header wiki – Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Bakkersambt Nijmegen

Uit Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Ga naar: navigatie, zoeken
Algemene gegevens
Naam : Bakkersambt Nijmegen
Andere naam (namen):

Bestaansperiode: 1544 - 1847
Rechtsvorm:
Voorganger(s):

Opvolger(s):

Hoger orgaan:

Archief
Het archief van deze organisatie is in beheer bij het Regionaal Archief Nijmegen. De toegang met de beschrijving van de stukken is bereikbaar via deze link:
Icoon archief.png
Naar beschrijving archief

Algemene context

In de late middeleeuwen verenigden de stedelijke beoefenaars van beroepen zich in groepen, de zogenoemde gilden en ambachten. Dankzij de gilden waren de beroepen en de geleverde kwaliteit beschermd – er was nauwelijks concurrentie mogelijk door mensen van buiten de stad. Een leerling werd, na goedkeuring door het gilde en meestal tegen betaling, bij een gildelid in de praktijk opgeleid. Als hij de status van gezel had bereikt werkte de leerling een aantal jaren in dienst van zijn meester. Na het afronden van een meesterproef kon hij zich meester noemen. Aan toetreding tot een gilde werden diverse eisen gesteld, zo moest een gildelid het Nijmeegse burgerrecht bezitten. Onder anderen Joden en (vanaf 1592) katholieken waren lange tijd uitgesloten.

Het stadsbestuur had zeggenschap over de gilden: het keurde onder andere de reglementen goed en stelde vast hoeveel leden elk gilde mocht tellen. Anderzijds hadden de gilden ook politieke macht. De leden van de belangrijkste gilden vormden samen het Sinter Claesgilde. Zes tot acht vertegenwoordigers hieruit, de Claesmeesters, controleerden het stadsbestuur en mochten voordrachten doen voor de raad. Na de Reductie van Nijmegen werd het Sinter Claesgilde in 1592 buitenspel gezet.

Geschiedenis

Ook van dit middeleeuwse gilde, het Bakkersambt, reiken de stukken niet verder terug dan het midden van de 16e eeuw. De naam van zijn patroon is zelfs niet met zekerheid bekend. Van Schevichaven (o.c., 36) noemt als zodanig Sint Willibrord, met verwijzing naar een Raad-signaat van 17 sept. 1602, waarbij het de meesterbakkers verboden werd, de zilveren penningen met de beeltenis van Sint Willibrord te dragen. Daarentegen heeft een van de bewaarde kannen van het gilde (no. 11) bij de afbeelding van de patroon (?) het randschrift: Timotheus. Een banier van het ambt, daterend van 1550 en bewaard in het Gemeentemuseum, draagt de beeltenissen van twee bisschoppen. De omstandigheid, dat de jaarlijkse keurdag, die op of kort na het patroonsfeest werd gehouden, in juni of juli viel, pleit in ieder geval niet ten gunste van het patroonschap van Sint Willibrord.

In 1798, in de Bataafs-Franse tijd, werden de gilden voor het eerst opgeheven, later werden ze meermalen hersteld en opnieuw opgeheven. Ze verdwenen in Nederland definitief in 1818. De fondsen en bezittingen van de voormalige gilden werden bij Koninklijk Besluit van 1820 geliquideerd: ze kwamen toe aan de stadsbesturen. De gemeente Nijmegen benoemde vervolgens commissarissen voor het beheer van de fondsen en bezittingen.

Organisatie

Het ambtsbestuur bestond uit acht meesters, waaronder de boekhouder. Bij de verkiezingen op de keurdag had elk van hen één stem, met uitzondering van de boekhouder, die twee stemmen uitbracht. Elk jaar op de keurdag werd door het bestuur (niet door het ambt) een oudmeester en een nieuwe meester gekozen. Om familieregering tegen te gaan, bepaalde de instructie van 1706 (Inventaris, no.35), dat de oudmeester, hoewel hij vroeger het meesterschap moest hebben bekleed, niet mocht worden gekozen uit de regerende meesters en deze laatsten niet binnen zekere graden van verwantschap mocht bestaan.

Het bestuur stelde de resoluties vast, nodig tot het uitvoeren van de stedelijke ordonnanties, stelde de inrichting van het ambt en zijn bestuur vast en berechtte inwendige geschillen. Zijn voornaamste taak wellicht was de afkondiging van de politie van het graan, zoals deze week voor week door de Raad der stad werd geregeld, en van een evenredige prijszetting op het brood. Ook hoorden de bestuurders op de keurdag de jaarlijkse rekening van ontvangst en uitgaaf af.

Na de reorganisatie van de gilden in 1592 schijnt ook hier de macht van de boekhouder te zijn versterkt. Hij immers was het, die op de keurdag de jaarlijkse rekening aan het bestuur voorlegde, en niet meer geschiedde dit, zoals in de 16e eeuw (vgl. inventaris, no. 19) door de gezamenlijke meesters ten overstaan van de vergadering der gemene ambtsbroeders. Toch was zijn positie niet zo overheersend geworden als die van de boekhouders van sommige andere gilden.

Locatie

-: Nijmegen

Verantwoording

Inleiding van de toegang op het archief door P.C. Boeren. (1942)



KENNISBANK
Verder graven in de historie van stad en omgeving
FACEBOOK
Op de hoogte blijven van het laatste nieuws van het Huis
EDUCATIE
Projecten en maatwerk voor het onderwijs
VERHALEN
Verteld verleden