header wiki – Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Bank van Lening

Uit Huis van de Nijmeegse geschiedenis

Ga naar: navigatie, zoeken

De Bank van Lening was een instelling die het stadsbestuur inzette bij de armenzorg. Sinds 1596 werd de bank verpacht door de gemeente, maar vanaf 1879 tot 1911 was het een gemeentelijke instantie. In 1949 werd de Gemeentelijke kredietbank gesticht, waardoor de Bank van Lening werd opgeheven.

Moeizame start[bewerken]

De Bank van Lening is een middel dat het stadsbestuur inzette bij de zorg voor armen. Nijmegen schaart zich betrekkelijk laat onder de steden met een Bank van Lening. Nog in 1560 krijgt leenmeester François Carvalis te horen, dat hij met zijn ‘leentaeffel’ in de Waalstad niet welkom is. Om toch zaken te kunnen doen, vestigt hij zich pal buiten de Hunnerpoort, op Ubbergs grondgebied.

In het laatste kwart van de 16e eeuw laat het stadsbestuur zijn afwijzende houding tegen de lommerd - een verschijnsel ‘tenderende tot verderffnisse der luyden’ - varen. Hans Darmel, die de eerste Nijmeegse Bank van Lening in de Broerstraat opent, blijkt echter niet de juiste persoon om de argwaan van het stadsbestuur weg te nemen. Onder zijn opvolger Philibert Darmel stapelen de problemen zich op. De nieuwe ‘tafelhouder’ weigert panden waarvan het eigendomscertificaat is kwijtgeraakt, weer terug te geven en negeert de eis van het stadsbestuur om de naam van één van zijn cliënten bekend te maken. Dit laatste levert hem in 1605 een boete van 10.000 gulden op, die de bank bijna failliet doet gaan.

Bank in eigen beheer[bewerken]

Sinds 1596 is het de gewoonte dat de stad Nijmegen het instituut verpacht. Ondanks dat deze verpachting geschiedt onder door de gemeente opgestelde voorwaarden[1], is dat blijkbaar ook in de negentiende eeuw geen garantie voor een vlekkeloos functioneren van de bank. Velen zijn de mening toegedaan dat de Banken van Lening een profijtelijke zaak zijn voor de pachters, maar dat zij voor de armen geen uitkomst bieden. Via een Koninklijk Besluit in het algemeen en door een aanschrijven van het Nijmeegs stadsbestuur door Gedeputeerden Staten in het bijzonder, zijn vanaf 1826 pogingen ondernomen om in deze stad een eind te maken aan de praktijken van de verpachte Bank van Lening. Ondanks herhaalde verzoeken van de provincie is het stadsbestuur pas in 1879 ertoe overgegaan de Bank van Lening in eigen beheer te nemen. Misschien is dat wel tekenend voor het toenmalig bestuur. De financiële positie van de gemeente werd als de belangrijkste prioriteit beschouwd, niet het sociaal welzijn van de bevolking. Schulden van individuele burgers zijn niet de verantwoordelijkheid van de bestuurders, maar van de burgers zelf.

De bank van lening blijft tot 1879 op de oude voet bestaan, dat wil zeggen als een verpachte instelling onder controle van de gemeente. De raad benoemt een aantal onbezoldigde inbrengers en inbrengsters, die beloond worden volgens een door de raad in 1840 vastgesteld tarief.[2] De betrekking van inbreng(st)er wordt in 1870 opgeheven. Een voorstel om tegelijk met het afschaffen van deze functie de bank in eigen beheer te nemen wordt door de raad verworpen. De raad besluit wel een commissie te benoemen die gaat onderzoeken of een wijziging van de organisatie van de Bank van Lening wenselijk is.[3]

Van gemeentelijk naar zelfstandig[bewerken]

Met ingang van 1 juli 1879 komt de Bank van Lening onder beheer van de gemeente. De raad benoemt een commissie die de taak krijgt een verordening voor de nieuwe gemeentelijke instelling op te stellen.[4] De personele bezetting van de gemeentelijke Bank van Lening bestaat uit een directeur, een schatter (later ook taxateur geheten), twee klerken en een bediende (later magazijnknecht geheten). In 1884 komt daar nog een werkvrouw bij, en een jaar later een tweede magazijnknecht. In 1890 komt aan het licht dat een van de klerken malversaties heeft gepleegd voor het toen kapitale bedrag van f5000,-. Vanuit de raad wordt nu het voorstel gedaan om de Bank van Lening weer te verpachten. Tegelijk wordt voorgesteld een soort beheerscommissie en een bezoldigde ambtenaar als controleur aan te stellen. De voorstellen halen geen meerderheid, besloten wordt de behandeling van deze zaak uit te stellen. Lange tijd verandert er weinig bij de Bank van Lening. In 1907 komt er een commissie van bijstand voor deze gemeentelijke instelling. Ook wordt het reglement gewijzigd, zodat het mogelijk wordt bijbanken te stichten. Dat laatste is gewenst, want door de grote drukte bij de bank nemen veel mensen hun toevlucht tot woekerende pandjesbazen. Tot het stichten van een of meerdere bijkantoren komt het echter vooralsnog niet, ook al klaagt de directeur van de Bank van Lening in zijn jaarverslag over de grote drukte bij zijn bank. In 1911 wordt de Bank van Lening, evenals de Electriciteitswerken en het gemeentelijk Gas en Water, een financieel zelfstandige organisatie.[5] Ook wordt in dat jaar, ingevolge landelijke wetgeving - de Pandhuiswet van 1910 -,[6] het reglement van de bank op kleine onderdelen aangepast.

Bijbank[bewerken]

In 1912 komt er een bijbank.[7] Voor dit filiaal wordt nieuw personeel aangesteld. Als in 1913 de bijbank aan de Waldeck Pyrmontsingel haar poorten opent, bestaat het personeel uit een beheerder, een schatter en een magazijnbediende. Op het einde van de periode omvat het totale personeelsbestand behalve genoemde werknemers van de bijbank de volgende personen: de directeur, een schatter, drie klerken en een magazijnknecht. In 1932 wordt de bijbank opgeheven.

Personeel[bewerken]

De bank van lening bestaat in 1919 uit een directeur-administrateur, een schatter, twee klerken 1e klas, twee klerken 2e klas, een magazijnbediende en voor de bijbank een beheerder, een schatter en een magazijnbediende. In 1932 wordt de bijbank opgeheven wat voor de personele bezetting consequenties heeft. De beheerder wordt overgeplaatst naar de hoofdbank, het overige personeel wordt elders in de gemeentelijke organisatie ondergebracht.[8] Het personeel bestaat tot 1938 uit een directeur-administrateur, een commies en een adjunct-commies, een schatter, een magazijnbediende alsmede een werkster op arbeidscontract. In mei 1938 gaat de directeur-administrateur van de bank met pensioen. Als waarnemend-directeur fungeert vanaf dat moment de directeur van de Gemeentelijke Dienst voor Maatschappelijk Hulpbetoon.

Gemeentelijke kredietbank[bewerken]

In de raadsvergadering van 26 juli 1939 wordt het besluit genomen een gemeentelijke kredietbank op te richten. Uit de nieuwe raad van september 1939 wordt daarom geen commissie van bijstand benoemd voor de 'stads-bank van leening'. Hoewel na enkele kleine amendementen het reglement voor de 'gemeentelijke volkscredietbank' in 1939 door de raad vastgesteld is,[9] overleeft de 'stads-bank van leening' onder haar oude naam de Tweede Wereldoorlog.[10] In 1949 wordt de Bank van Lening opgeheven en wordt de Gemeentelijke kredietbank uiteindelijk gesticht.

Voetnoten[bewerken]

  1. Zie bijvoorbeeld Raadssignaten 1816, f. 46 r. en bijvoorbeeld voor reglementering in periode na 1824 Raadssignaten 1827 f. 78 r. Reglement Bank van Lening, als ook Reglement voor de inbrengers en inbrengsters, Nijmegen 1840, in G.A.N., band Ordonnanties, N 191, nr 24
  2. Gemeenteverslag, 1853, p. 229 aanhangsel D.
  3. Gemeenteverslag, p. 1870, p. 13.
  4. Gemeenteverslag, 1879, p. 15.
  5. Gemeenteverslag, 1911, p. 34. De financiële zelfstandigheid wordt nader geregeld in door de raad vastgestelde verordeningen van 18 februari en 20 mei 1911.
  6. Gemeenteverslag, 1911, p. 34. Het nieuwe reglement is vastgesteld in de raadsvergaderingen van 18 maart en 20 mei 1911.
  7. Gemeenteverslag, 1912, pp. 29, 30. De verordening voor de bijbank is op 11 mei 1912 vastgesteld.
  8. Gemeenteverslag, bijlagen, eerste deel, verslag D., p. 31.
  9. Raadssignaten, 1939, vergadering 26 juli 1939, punt 9.
  10. Eind 1940 wijzigt de raad bijvoorbeeld nog een keer het reglement voor de 'Bank van Leening.' Zie raadssignaten 18 mei 1940, punt 5.

Bronnen[bewerken]

  • Buylincks, J. e.a., 'Ach lieve tijd. Twintig eeuwen Nijmegen, de Nijmegenaren en hun handel, deel 10', p. 230.
  • Gruppelaar, Leon, 'Lokaal bestuur en stedelijke overheid te Nijmegen, 1816-1851' (Gemeentearchief Nijmegen, 1994).
  • Gruppelaar, Leon 'Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1851-1919' (Gemeentearchief Nijmegen, 1994).
  • Gruppelaar, Leon, 'Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1919-1945' (Gemeentearchief Nijmegen, 1995).


Verantwoording[bewerken]

Bewerking van de resultaten van onderzoek, gedaan in de jaren 1994-1996, naar lokaal bestuur en gemeentelijke overheid in Nijmegen door Lisette Kuijper (Regionaal Archief Nijmegen, 2010)


KENNISBANK
Verder graven in de historie van stad en omgeving
FACEBOOK
Op de hoogte blijven van het laatste nieuws van het Huis
EDUCATIE
Projecten en maatwerk voor het onderwijs
VERHALEN
Verteld verleden