header wiki – Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Begraven en cremeren

Uit Huis van de Nijmeegse geschiedenis

Ga naar: navigatie, zoeken

Dit artikel geeft aan de hand van vooral de nationale wetgeving een overzicht van de lijkbezorging in Nijmegen in de afgelopen twee eeuwen. Op Begraafplaatsen staat een overzicht van artikelen over Nijmeegse begraafplaatsen uit de negentiende en twintigste eeuw.

Koninklijk Besluit 1827[bewerken]

In het Franse Keizerrijk werd in 1804 een decreet uitgevaardigd dat het begraven in kerkgebouwen en binnen de omwalling verbood. Dit decreet werd bij de inlijving van het Koninkrijk Holland door het Franse Keizerrijk in 1810 ook in Nederland van kracht. Nijmegen liet op grond van dit verbod een algemene begraafplaats buiten de Hertogsteegpoort aanleggen (Algemene begraafplaats Stenenkruisstraat), die in 1811 in gebruik genomen werd.[1]

In december 1813 werd het keizerlijk decreet gedeeltelijk ingetrokken en kon er in Nijmegen en de rest van het land weer begraven worden in kerken en in de binnenstad. Bij Koninklijk Besluit van 22 augustus 1827 kwam definitief een einde aan deze praktijk. Vanaf 1 januari 1829 mocht niet meer begraven worden in kerken. Ook was het in steden en dorpen met meer dan duizend inwoners niet langer toegestaan te begraven binnen een straal van 35 à 40 meter van de bebouwde kom. In deze plaatsen moest buiten de bebouwde kom minimaal één algemene begraafplaats worden aangelegd. Nijmegen bezat toen al een dergelijke begraafplaats buiten de Hertogsteegpoort.

Het Koninklijk Besluit van 1827 liet veel vragen onbeantwoord, met name ten aanzien van bijzondere begraafplaatsen. Ook in Nijmegen was dat het geval. Zo vroegen de Dominicanessen van Neerbosch het gemeentebestuur in 1856 toestemming voor de aanleg van een begraafplaats achter hun klooster. Aangezien er voor kwesties als deze geen wettelijke voorschriften bestonden, speelde de gemeente de vraag door aan de Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland. Deze stuurde het gemeentebestuur een afschrift van een missive van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Volgens dit schrijven stond het de verschillende gezindten vrij eigen begraafplaatsen aan te leggen, op voorwaarde dat zij zelf de kosten droegen en dat zij niet handelden in strijd met de wettelijke voorschriften. Het gemeentebestuur gaf vervolgens toestemming voor de aanleg van een bijzondere begraafplaats achter het klooster.[2]

Begraafwet 1869[bewerken]

In 1869 maakte de Wet tot ‘vaststelling van bepalingen betrekkelijk het begraven van lijken, de begraafplaatsen en de begrafenisregten’ een einde aan een aantal onduidelijkheden. Voortaan was het wettelijk toegestaan bijzondere begraafplaatsen aan te leggen ten behoeve van leden van een kerkelijke gemeente. Lijkverbranding werd niet toegestaan, maar er werden geen sancties opgelegd. Begraafplaatsen die niet meer werden gebruikt, moesten gesloten worden en tien jaar onaangeroerd blijven liggen. Daarnaast was er de overgangsbepaling dat bestaande begraafplaatsen die op een afstand van 35 à 40 meter van de bebouwde kom lagen maar verder aan de eisen van de Begraafwet voldeden, mochten blijven bestaan.[3] Deze laatste bepaling was van belang voor de algemene begraafplaatsen in de dorpskernen Hatert, Hees en Neerbosch en het joodse kerkhof achter de Mariënburg bij de toenmalige wal. De algemene begraafplaatsen in het schependom bleven open tot 1881, respectievelijk 1890. Op de Joodse begraafplaats achter de Mariënburg vond de laatste begrafenis in 1931 plaats. Deze begraafplaats werd in 1961 geruimd.

Na invoering van de Begraafwet van 1869 werden steeds meer bijzondere begraafplaatsen aangelegd: de Joodse begraafplaats Huis der Levenden (Beth Chajiem) in 1890, de katholieke begraafplaats aan de Daalseweg in 1885 en de protestantse begraafplaats Rustoord in 1895. De vraag naar katholieke begraafplaatsen nam sterk toe met de komst van de Katholieke Universiteit in 1923. Veel kleinseminaries, grootseminaries en kloosters openden hun deuren in Nijmegen. Vaak legden zij een eigen begraafplaats aan.

De Vestingwet van 1874 betekende het einde van Nijmegen als vestingstad. De stadsmuren werden gesloopt. Nijmegen kwam in het bezit van de oude vestinggronden waardoor de oppervlakte van de gemeente fors toenam. Vooral ten zuiden en oosten van de oude stad werd veel gebouwd.[4] Een aantal begraafplaatsen kwam als gevolg daarvan steeds meer binnen de bebouwing te liggen. De Algemene Begraafplaats aan de Stenenkruisstraat werd als eerste met sluiting bedreigd door de oprukkende woningbouw. In 1903 besloot het gemeentebestuur de begraafplaats per 1 januari 1905 te sluiten.[5] Er was inmiddels een tweede algemene begraafplaats geopend aan de Graafseweg. In 1925 viel het besluit het rooms-katholieke gedeelte van de begraafplaats te ontruimen en als wandelpark in te richten: het Julianapark. Het resterende gedeelte werd omheind met een ijzeren hekwerk. De stad groeide zo snel dat ook de katholieke begraafplaats aan de Daalseweg werd ingesloten door bebouwing. Na de Tweede Wereldoorlog raakte het kerkhof steeds meer in verval. Dankzij de inzet van de werkgroep ‘’t behouden kerkhof’ en de stichting ‘ter behartiging belangen nabestaanden’ werd de begraafplaats gerenoveerd en na bijna een halve eeuw weer in gebruik genomen.

Crematie[bewerken]

De wet van 7 juli 1955 met betrekking tot de verbranding, de balseming en de schouwing van lijken maakte crematie legaal.[6] Pas met de nieuwe voorschriften met betrekking tot crematoria en de bestemming en bewaring van as, vervat in de Wet op de lijkbezorging van 1968, werd cremeren wettelijk gelijkgesteld aan begraven.[7] Deze wet was aanleiding voor de gemeente Nijmegen in 1974 een werkgroep in te stellen, die tot de conclusie kwam dat de vestiging van een crematorium gewenst was.[8] Het zou nog tien jaar duren voor aan de Weg door Jonkerbos het Regionaal Crematorium Jonkerbos geopend werd.[9] Dat cremeren nog lang een gevoelig onderwerp bleef, valt onder meer af te lezen aan de discussie over de exacte locatie van het crematorium.[10] Tegenwoordig hebben veel begraafplaatsen in Nijmegen strooivelden en columbaria.

Stichting Begraafplaatsen Nijmegen[bewerken]

De gemeente Nijmegen heeft in de jaren negentig het beheer van de algemene gemeentelijke begraafplaatsen uitbesteed aan derden. Stichting begraafplaatsen Nijmegen, zelfstandig onderdeel van het Rooms-Katholiek Kerkgenootschap van Nederland, beheert vijf begraafplaatsen in Nijmegen. Tegenwoordig is er op de meeste bijzondere begraafplaatsen ook plaats voor personen met een andere levensovertuiging. Een aantal kloosterbegraafplaatsen is inmiddels gesloten en de kloosterlingen worden in veel gevallen op grotere begraafplaatsen in Nijmegen of elders in het land begraven.

Voetnoten[bewerken]

  1. J. Ceulemans, Begraven en begraafplaatsen in Nijmegen, Nijmegen 1984, p. 6.
  2. Regionaal Archief Nijmegen, Stadsbestuur Nijmegen 1810-1946, rubriek gezondheid inv.nr. 514.
  3. Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, jaargang 1869, no. 65.
  4. J. Brabers (red.), Nijmegen, geschiedenis van de oudste stad van Nederland, deel 3: negentiende en twintigste eeuw, Nijmegen 2005, p. 17-25.
  5. Verslag van de Handelingen van den Raad der gemeente Nijmegen 1903, p. 498-505.
  6. Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, jaargang 1955, no. 390.
  7. Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden, jaargang 1968, no. 494.
  8. Regionaal Archief Nijmegen, Secretarie Gemeente Nijmegen 1946-1984, rubriek openbare gezondheid, inv. nrs. 1280-1293.
  9. Website Regionaal Crematorium Jonkerbos
  10. Regionaal Archief Nijmegen, Secretarie Gemeente Nijmegen 1946-1984, rubriek openbare gezondheid, inv. nrs. 1280-1293.

Verwijzingen[bewerken]

Stichting Begraafplaatsen Nijmegen

Verantwoording[bewerken]

Ilse Nagelkerke, Begraafplaatsen in Nijmegen in de 19e en 20e eeuw (stage-onderzoek geschiedenisopleiding Radboud Universiteit Nijmegen 2007)


KENNISBANK
Verder graven in de historie van stad en omgeving
FACEBOOK
Op de hoogte blijven van het laatste nieuws van het Huis
EDUCATIE
Projecten en maatwerk voor het onderwijs
VERHALEN
Verteld verleden