header wiki – Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Bestuur

Uit Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Ga naar: navigatie, zoeken

Belangrijke bestuurlijke veranderingen vonden plaats in 1816 en 1824, maar pas vanaf 1851 werden de grondslagen gelegd voor het moderne lokale bestuur. Deze gemeentewet zorgde voor democratisering. Daarnaast zorgde de uitbreiding van het kiesrecht in 1917 voor grote veranderingen in de Nijmeegse politiek.

Reglement 1816[bewerken]

In de grondwet van 1815 is bepaald dat de inrichting van het lokaal bestuur geregeld wordt door regeringsreglementen. Voor steden en plattelandsgemeenten komen er verschillende reglementen. Nijmegen hoort -uiteraard- bij de steden. De stedelijke reglementen worden uitgevaardigd op 5 november 1815. Met ingang van het nieuwe jaar zal het Nijmeegse reglement in werking treden: de eerste raadsbijeenkomst op 2 januari 1816 luidt een nieuwe bestuurlijke periode in. Het eerste artikel van het reglement voor Nijmegen luidt: "Het Bestuur der Stad Nijmegen word uitgeoeffend door een Raad van vijftien leden waarvan drie Leden Burgemeesteren zullen zijn; zoowel de Raad als Burgemeesteren zullen den titel hebben van Edele Achtbare Heeren- zij zijn respectievelijk belast met de functien voor ieder van dezelve hier na opgegeven." Anders dan na 1851, wanneer er een duidelijke scheiding komt tussen college en gemeenteraad, is er in 1816 geen politiek verschil tussen raad en burgemeesteren. Er bestaat geen strikt onderscheid tussen een uitvoerend en een controlerend orgaan. De leden van de raad worden de eerste keer door de koning aangesteld en wel voor het leven. Opengevallen plaatsen worden opgevuld door het kiescollege. Door de benoeming ad vitam is er nauwelijks sprake van een rotatie van politieke ambten. Ook dat komt het democratisch gehalte niet ten goede.

Reglement 1824[bewerken]

In de jaren 1824-1825 komen er nieuwe regeringsreglementen voor de inrichting van het lokaal bestuur. In vergelijking met 1815-1816 komt er in de jaren 1824-1825 een veel grotere uniformiteit tussen de verschillende reglementen. Alle steden in de noordelijke provinciën, uitgezonderd Amsterdam, krijgen een lokaal bestuur dat volgens hetzelfde model is ingericht. Wel blijft het grote onderscheid tussen steden en plattelandsgemeenten bestaan. Steden en plattelandsgemeenten houden ieder een eigen bestuursorganisatie en ook de staatsrechtelijke positie van de inwoners blijft verschillend. In de steden hebben de burgers enige invloed op de gang van zaken, op het platteland ontbreekt die bijna volledig. Een eerste verschil voor de steden is dat de gemeenteraad één lid minder telt, behalve in periodes dat een burgemeester van buiten de raad wordt benoemd. Als een tweede vernieuwing kunnen we de eis beschouwen, dat twee raadsleden uit de buitengebieden dienen te komen. Een derde verandering is de vervanging van het college van burgemeesteren door één burgemeester en twee wethouders. Ondanks deze naamswijziging is het idee van een collegiaal bestuur gehandhaafd.

Evenals dat in de jaren 1816-1824 geldt voor de eerste burgemeester ten opzichte van de andere twee burgemeesteren, is nu de burgemeester te midden van de twee wethouders primus inter pares. Afgezien van enkele benoemingsrechten heeft hij niet duidelijk meer bevoegdheden dan de wethouders. Deze blijven samen met hem het dagelijks bestuur van de stad vormen. Een vierde verschil betreft het kiezerscollege. Het aantal daarvan wordt van 21 op 28 gebracht. Tenslotte verandert er wat aan het kiesrecht. De ingezetenen die de kiescolleges mogen kiezen moeten aan andere criteria voldoen dan voorheen. Zo wordt in 1824 de eis van Nederlanderschap ingevoerd, terwijl daarvoor het voldoende was een aantal jaren burger van de stad te zijn. Curieus is het, dat wel bepaalde eisen worden gesteld aan de welstand van de stemgerechtigden, maar dat het kunnen lezen of schrijven daarentegen geen eis is.

Gemeentewet 1851[bewerken]

De periode na 1851 is bestuurlijk duidelijk een nieuw tijdvak. In plaats van de reglementen van 1816 en 1824 komt er een andere basis voor het lokale bestuur. De grondwet van 1848 en de uitwerking daarvan in de gemeentewet van 1851 vormen de grondslagen van het moderne lokale bestuur. De geschiedenis heeft bewezen dat deze grondslagen hechte fundamenten zijn. De gemeentewet van 1851 heeft tot in onze tijd grotendeels de tand des tijds doorstaan en, wat nog belangrijker is, de wet heeft in de praktijk goed voldaan. De hier opgesomde verschillen vormen de kern van de veranderingen van deze gemeentewet[1]:

  • verdwijning van het onderscheid tussen stedelijk en plattelandsbestuur
  • directe verkiezing van de gemeenteraadsleden die niet ad vitam maar voor een bepaald aantal jaren zitting nemen in de raad
  • autonomie: aan de gemeenteraad behoort de regeling en het bestuur van de huishouding van de gemeente
  • primaat van de raad die als eerste macht in het gemeentebestuur aan het hoofd van de gemeente staat
  • verdwijning naar het tweede plan van het college van burgemeester en wethouders
  • komst van een derde bestuursorgaan in de persoon van de burgemeester. Het Nijmeegse bestuur bestaat nu uit de raad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester als apart orgaan.
  • onderwerping van raadsbesluiten, in het bijzonder van burgerlijke rechtshandelingen, aan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten, voor zover de wet dat bepaalt.

Democratisering[bewerken]

De gemeentewet zorgt voor meer democratie en minder centralisme. Het democratisch gehalte wordt versterkt door de afschaffing van de kiescolleges en door de verlaagde census. Het principe van het censuskiesrecht blijft weliswaar gehandhaafd, maar door te kiezen voor een census die de helft bedraagt van die voor de verkiezingen van de Tweede Kamer wordt deelname aan het lokale politieke leven gestimuleerd. In 1887 wordt het kiesrecht verder versoepeld, er komt dan een kiesrecht op basis van geschiktheid en welstand. De vervanging van het raadlidmaatschap ad vitam door een voor bepaalde tijd is nog een belangrijke stimulans voor een levendige lokale democratie. De zittingstijd van de raadsleden wordt op zes jaar bepaald, een derde treedt om de twee jaar af. De nadruk die de wet legt op de gemeentelijke autonomie is een duidelijke breuk met het centralisme uit de periode ervóór. In de tijd van Willem I heeft het lokale bestuur immers aan de ketting van diens koninklijke-besluiten-regering gelegen. Natuurlijk blijven de gemeenten na 1851 een deel van een groter geheel en kan er van volledige autonomie geen sprake zijn. De gemeentewet biedt echter waarborgen voor de competentiedeling tussen lagere en hogere overheden. Veranderingen daarin kunnen niet langer geschieden door eigenmachtig koninklijk ingrijpen van bovenaf, maar alleen via de democratische weg van de wetgevende macht.

Uitbreiding kiesrecht[bewerken]

In 1917 is het algemeen kiesrecht ingevoerd dat in de plaats komt van het zogeheten attributief kiesrecht dat vóór 1917 gold. Volgens het attributieve kiesrecht moeten kiezers aantonen waarom men kiezer is, wat het geval is als men aan bepaalde eisen van welstand en ontwikkeling voldoet. Bij het algemeen kiesrecht van 1917, dat tot 1923 overigens alleen geldt voor mannen, krijgt in principe iedereen kiesrecht die aan drie algemene vereisten voldoet. Deze drie eisen zijn in 1917: Nederlanderschap, ingezetenschap der gemeente en een minimum leeftijd van 25 jaar. Behalve een nieuw, uitgebreider kiesrecht komt er in 1917 ook een ander kiesstelsel. Het evenredigheidsstelsel neemt de plaats in van het districtenstelsel. Dat stelsel vormde een barrière voor kleinere politieke partijen die hun aanhang over het hele land of over een hele gemeente verspreid hadden. Bij het evenredigheidsstelsel krijgen die partijen een veel grotere kans om een of meerdere zetels in vertegenwoordigende lichamen te bemachtigen.

In 1919 wordt voor het eerst een gemeenteraad gekozen volgens dit nieuwe kiesrecht en kiesstelsel. Evenals de verkiezingen van 1851 een trendbreuk met de tijd ervóór brachten2, zorgen de op de nieuwe leest geschoeide verkiezingen van 1919 voor politieke verschuivingen. Hield 1851 een eerste bescheiden democratisering in, de Nijmeegse gemeenteraadsverkiezingen van 1919 leiden ertoe dat de raad meer dan ooit tevoren een afspiegeling vormt van de maatschappelijke verhoudingen binnen de bevolking.

Kort samengevat betekent 1919 de triomf van de katholieke petit bourgeoisie. Deze overwinning gaat ten koste van de protestantse elite en van de liberaal-katholieke bovenklasse die de periode 1851-1917 het politieke leven te Nijmegen gedomineerd hebben. Bovendien leidt de verkiezingsuitslag van 1919 ertoe dat de socialisten de op een na grootste partij in de raad worden. Na de verovering van een eerste zetel in 1917 weten zij nu liefst acht zetels te bemachtigen. Het jaar 1919 zorgt voor een ruk naar links. Opvallend mag het heten dat de katholieken die ruim 70% van de bevolking uitmaken slechts iets meer dan de helft van het aantal stemmen weten te vergaren. De Rooms Katholieke Staatspartij, de katholieke machtsfactor bij uitstek, is er dan ook alles aan gelegen om de katholieken van arbeider tot directeur aan te zetten tot het stemmen op de in haar ogen enige, echte rooms-katholieke partij.

De politieke situatie te Nijmegen is kernachtig getypeerd als 'rooms triomfalisme naast rode berusting'.6 De katholieken drukken een stempel op de raad en op de Nijmeegse samenleving. Vooral de uitbouw van de katholieke zuil krijgt tijdens het interbellum duidelijke vormen. Gesteund door nationale wetgeving, zoals de financiële gelijkstelling van het bijzonder met het openbaar onderwijs in 1920, en geholpen met subsidies uit de gemeentekas neemt het aantal katholieke instellingen en organisaties toe. In het onderwijs gaat dat, zoals we hierna nog zullen zien, ten koste van het aantal openbare scholen.

Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Een verordening die grote consequenties heeft voor het gemeentebestuur is de verordening van 10 augustus 1941. Daarin wordt onder andere bepaald dat per 1 september 1941 de werkzaamheden van de gemeenteraad en de colleges van B. en W. moeten rusten. Tevens worden, krachtens dezelfde verordening, de werkzaamheden van de gemeentelijke commissies opgeschort, een maatregel die per 28 september 1941 van kracht wordt.[2]De taken van de opgeheven gemeentelijke organen worden waargenomen door de burgemeester. In de praktijk blijkt het gevolg van de verordening wèl het einde van de gemeenteraden, maar niet van de colleges van B. en W. Daartoe aangezet door Frederiks blijven de burgemeesters met hun wethouders vergaderen, ook te Nijmegen. De komst van NSB burgemeester Van Lokhorst in 1943 betekent het einde van die praktijk. Nog enkel maanden vinden vergaderingen van het college plaats, waarna de NSB-burgemeester op een nieuwe wijze de gemeente gaat besturen. Vanaf mei 1943 houdt Van Lokhorst een nieuw soort bijeenkomsten. Aanwezig daarbij zijn de hoofden van de secretarie-afdelingen, de directeuren van de verschillende diensten en bedrijven, alsmede de wethouders. Aangezien de burgemeester iemand is die het leidersprincipe tot de dagelijkse praktijk maakt, kunnen deze bijeenkomsten niet als een soort overlegstructuur gezien worden. Van Lokhorst beschouwt zich als een lokale alleenheerser. Een conflict tussen hem en de hoofden en directeuren leidt tot het ontslag van de ambtelijke top. Lageren in de hiërarchie èn door Van Lokhorst benoemde 'kameraden' nemen de plaatsen van de ontslagenen in. De wethouders, op wethouder Van der Velden na, worden in de loop van 1943 ontslagen en vervangen door NSB-ers. In februari hadden zij allen ontslag aangevraagd. Het verzoek van Van der Velden wordt overigens pas in 1944 ingewilligd. Vanaf 1 februari 1944 heeft Nijmegen alleen nog NSB-wethouders. De benoeming en de bestuurspraktijk van Van Lokhorst kunnen als een laatste fase beschouwd worden van een proces van steeds verdergaande invloed van de bezetter op het plaatselijk bestuur.

Na de Tweede Wereldoorlog vinden er bestuurlijk gezien geen grote veranderingen plaats, behalve bij de raadscommissies, die vanaf de jaren zestig een apart bestuursorgaan gaan vormen en waarbij verschillende commissies worden afgeschaft en toegevoegd.

Inspraak[bewerken]

Om de burgerij meer mogelijkheden te geven te participeren in het overheidsbestuur worden vanaf 1985 functionele commissies geïntroduceerd. Functionele commissies worden ingesteld bij besluit van de gemeenteraad; hun taken en bevoegdheden worden nauwkeurig omschreven bij raadsverordening. Er zijn drie varianten:

  • Bestuurscommissies (ex art. 61): Dit zijn commissies, welke bijvoorbeeld het bestuur van een instelling kunnen vormen. Het budget van dergelijke commissies valt meestal onder de Algemene Dienst van de gemeente begroting, maar het is ook mogelijk bestuurscommissies de bevoegdheid toe te kennen een eigen begroting en jaarrekening te hebben.
  • Commissies van Advies aan Burgemeester en Wethouders (art. 61 juncto art. 62). Deze commissies adviseren slechts; B. en W. bepalen wat zij aan de raad willen voorleggen.
  • Commissies van Beleidsvoorbereiding (art. 61 juncto art. 63). Deze commissies doen voorstellen aan de raad op het hun toevertrouwde terrein en komen daarmee in de plaats van het college van burgemeester en wethouders.[3]

Voetnoten[bewerken]

  1. Kocken, M.J.A.V., Van stads- en plattelandsbestuur naar gemeentebestuur.Proeve van een geschiedenis van ontstaan en ontwikkeling van het Nederlandse gemeentebestuur tot en met de grondwet van 1851, Den Haag 1973, p. 488
  2. Beijer, A.B.M., Gemeentelijk beleid in bezettingstijd, Nijmegen 1940-1944. Reakties van bestuur en ambtelijk apparaat op enige maatregelen van de bezetter, (scriptie GAN 1982), pp. 21-22.
  3. S.A.N. 5985

Bronnen[bewerken]

  • Gruppelaar, L., 'Lokaal bestuur en stedelijke overheid te Nijmegen, 1816-1851', Gemeentearchief Nijmegen, 1994.
  • Gruppelaar, L., ‘Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1851-1919’, Gemeentearchief Nijmegen, 1994.
  • Gruppelaar, L., ‘Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1919-1945’, Gemeentearchief Nijmegen, 1995.
  • Nabuurs, N., ‘Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1945-1984’, Gemeentearchief Nijmegen, 1996.

Verantwoording[bewerken]

Bewerking van de resultaten van onderzoek, gedaan in de jaren 1994-1996, naar lokaal bestuur en gemeentelijke overheid in Nijmegen door Lisette Kuijper (Regionaal Archief Nijmegen, 2010)


KENNISBANK
Verder graven in de historie van stad en omgeving
FACEBOOK
Op de hoogte blijven van het laatste nieuws van het Huis
EDUCATIE
Projecten en maatwerk voor het onderwijs
VERHALEN
Verteld verleden