header wiki – Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Buitenpolder Millingen, De Duffelt en Zeeland

Uit Huis van de Nijmeegse geschiedenis

Ga naar: navigatie, zoeken
Algemene gegevens
Naam : Buitenpolder Millingen, De Duffelt en Zeeland
Andere naam (namen):

Bestaansperiode: -
Rechtsvorm:
Voorganger(s):

Opvolger(s):

Hoger orgaan:

Archief
Het archief van deze organisatie is in beheer bij het Regionaal Archief Nijmegen. De toegang met de beschrijving van de stukken is bereikbaar via deze link:
Icoon archief.png
Naar beschrijving archief

Geschiedenis

Zoals uit de naam valt op te maken, is deze polder ontstaan uit de samenvoeging van verschillende polders. Waterstaatkundig vormt Millingen één geheel met De Duffelt. De dijk van Millingen wordt aan weerszijden voortgezet door die van De Duffelt. Door staatkundige verschillen heeft Millingen echter een apart polderbestuur gekregen. Toen De Duffelt een Gelders Ambt was, was Millingen een Berghs leen. Later was de Duffelt Kleefs en Millingen Gelders gebied. Toen in 1364 de Duffelt, dat tot ver in de 15de eeuw een Gelders ambt bleef, van hertog Eduard een dijkbrief kreeg, werd daarin bepaald dat ook enkele niet-Gelderse gebieden, het Kleefse Rindern, het stift Zyfflich en de Berghse heerlijkheid Millingen, door een gemene watergang met de Duffelt mochten uitwateren via het Meer langs Nijmegen op de Waal, mits zij die uitwatering mede zouden onderhouden. Anderzijds hielp de Duffelt, hoewel daartoe niet verplicht, in 1481 met het herstel van de Millingse dijk (1)

Een relatief lang dijkvak langs de brede Bovenrijn, welk vak ook de Duffelt beschermde, moest door een kleine polder worden onderhouden. Toen de lasten daarvan voor de polder Millingen te zwaar werden nam het rijk in 1817 de Rijndijk over (2). Sindsdien had deze polder alleen een taak ten aanzien van de afwatering.
In 1838 werd Millingen als een polder der derde klasse onder de werking van het Gelderse Rivierpolderreglement gebracht. In 1846 werd het een polder van de vierde klasse, in 1856 een polder zonder meer en vanaf 1880 een buitenpolder. Het bestuur werd gevormd door drie poldermeesters.
Zeeland, een kleine heerlijkheid, maakte geen deel uit van de Millingse polder (3).

De Duffelt was in de 15de eeuw door verpanding aan het hertogdom Kleef gekomen. In de 17de eeuw kwam dat hertogdom, en daarmee De Duffelt, aan Brandenburg/Pruissen. In de 18de eeuw ging het Pruisische absolutistische regime de autonomie van de lagere bestuursorganen, waaronder de waterschappen, drastisch inperken. In 1767 werd het "Erneuertes Deichschau-, Graben- und Schleusenreglement in dem Herzogtum Cleve" van kracht dat alle voorgaande reglementen verving (4). De Oberdeichinspektor had het toezicht over de dijkstoelen in Kleef, terwijl hij tegelijkertijd ook lid van de dijkstoelen was, naast de door de geërfden gekozen dijkgraaf en heemraden. De polders moesten hun jaarrekeningen laten goedkeuren door de Kriegs- und Domänenkammer te Kleef.
In 1816 werden de dorpen Kekerdom en Leuth, die in het gedeelte van De Duffelt liggen dat aan de Waal grenst, bij Nederland ingelijfd. In 1819 werd een overeenkomst met Pruissen gesloten, waarin bepaald werd dat Kekerdom en Leuth een aparte Nederlandse polder zouden gaan vormen. Maar voordat daaraan gevolg kon worden gegeven, brak in 1820 de dijk bij Leuth door. De Nederlandse geërfden vonden dat de gehele Duffelt aan het herstel daarvan zou moeten bijdragen. Men besloot daarop niet tot de voorgenomen splitsing van de polder De Duffelt over te gaan (5). Hierdoor bleef een belangrijke rivierdijk op Nederlands grondgebied onder gedeeld Nederlands-Duits beheer.
Om een einde aan deze situatie te maken, werd de polder De Duffelt in 1907 in een Nederlands en een Duits deel gescheiden (6). De Nederlandse Duffelt werd samengevoegd met de polder Millingen en de heerlijkheid Zeeland tot de buitenpolder "Millingen, De Duffelt en Zeeland". De oude polders bleven bestaan als administratieve afdelingen. De afdeling De Duffelt werd belast met het onderhoud van de Duffeltdijk en een deel van de Kapitteldijk, de Millingsedijk bleef echter een rijksdijk. Voor de afdeling De Duffelt kwamen daarbij ook nog de verplichtingen die uit de Conventie van 1784 voortvloeiden ten aanzien van het onderhoud van de Meersluis te Nijmegen, het Meer en het onderhoud van de Ka- en Mosterddijken.
Vanaf de oprichting in 1930 nam de buitenpolder deel aan het waterschap Nijmegen-Duitsche grens. In 1958 werd hij opgeheven om samen met het polderdistrict Circul van de Ooij en het waterschap Nijmegen-Duitsche Grens op te gaan in het nieuwe polderdistrict Circul van de Ooij en Millingen.

1) A.A. Beekman, Het dijkrecht van de Duffel, 300; S.J. Fockema Andreae, Grensproblemen aan de bovenrivieren, 18.
2) K.B. van 23 september 1817.
3) L.A.J.W. Sloet, Bijdragen tot de kennis van Gelderland, 437.
4) S.J. Fockema Andreae, Grensproblemen aan de bovenrivieren, 24; H. Gräf, Die geschichtliche Entwicklung des Deichswesens im Landkreis Kleve, 126.
5) L.A.J.W. Sloet, Bijdragen tot de kennis van Gelderland, 436.
6) Inv.nrs. 2304 en 3890.

Organisatie

In 1907 werd de polder De Duffelt in een Nederlands en een Duits deel gescheiden (zie 30.). De Nederlandse Duffelt werd samengevoegd met de polder Millingen en de heerlijkheid Zeeland tot de buitenpolder "Millingen, De Duffelt en Zeeland". De oude polders bleven bestaan als administratieve afdelingen.
De buitenpolder werd bestuurd door drie poldermeesters, uit een voordracht van de stemgerechtigde geërfden voor een termijn van zes jaar door Gedeputeerde Staten benoemd. Jaarlijks moesten zij rekening en verantwoording afleggen op de Geërfdendag, de vergadering van de stemgerechtigde geërfden en de poldermeesters. Na 1934 werd de Geërfdendag vervangen door de Polderraad waarin naast de drie poldermeesters, zes hoofdingelanden zaten, die door de stemgerechtigde geërfden waren gekozen voor een termijn van zes jaar.

Locatie

-:Millingen aan de Rijn

Bronnen

  • Beekman, A.A., Het dijkrecht van de Duffel van 12 juni 1364. In : Bijdragen en mededelingen Gelre, deel V (1902), 297 - 304.
  • Fockema Andreae, S.J., Grensproblemen aan de bovenrivieren. Leiden, 1950. (Studiën over waterschapsgeschiedenis VII).
  • Gräf, H., Die geschichtliche Entwicklung des Deichwesens im Landkreis Kleve. In : 150 Jahre Landkreis Kleve. Kleve, (1966), 110 - 131.
  • Sloet, L.A.J.W., Bijdragen tot de kennis van Gelderland. Arnhem, 1852 - 1855.

Verantwoording

Inleiding van de toegang op het archief door G. Boomsma. (1996)



KENNISBANK
Verder graven in de historie van stad en omgeving
FACEBOOK
Op de hoogte blijven van het laatste nieuws van het Huis
EDUCATIE
Projecten en maatwerk voor het onderwijs
VERHALEN
Verteld verleden