header wiki – Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Burgerlijk Armbestuur

Uit Huis van de Nijmeegse geschiedenis

Ga naar: navigatie, zoeken

Het Burgerlijk Armbestuur volgt het Algemeen Armbestuur in 1855 op en functioneert tot 1935, wanneer het overgenomen wordt door de Gemeentelijke Dienst voor Maatschappelijk Hulpbetoon. Het Armbestuur droeg zorg voor de ondersteuning van armen, werklozen en ziekenhuizen.

Geschiedenis[bewerken]

Oprichting[bewerken]

Op 30 maart 1855 treedt het Algemeen Armbestuur af en wordt het nieuw aangestelde Burgerlijk Armbestuur geïnstalleerd.[1] De belangrijkste kenmerken van dit nieuw bestuur zijn:

  • de Joden worden niet langer uitgesloten van medezeggenschap in dit bestuur.
  • de taken van de armverzorgers worden overgenomen door acht regenten (burger-ambtenaren) die zelf huisbezoeken gaan afleggen
  • een secretaris-rentmeester en een bode worden in dienst genomen tegen een jaarwedde, die betaald wordt uit de kas van het Burgerlijk Armbestuur.
  • de inkomsten bestaan uit zowel subsidies uit de gemeentekas als uit onvoorziene ontvangsten en uitkeringen van openbare vermakelijkheden.
  • het burgerlijk armbestuur draagt zelf een dubbeltal kandidaten voor, waarna de gemeenteraad de regenten kiest/benoemt.

Zelfstandigheidskwestie[bewerken]

De armenwet wil het Burgerlijk Armbestuur een zo groot mogelijke vrijheid en zelfstandigheid tegenover de gemeenten geven. Het zou de status van een gesubsidieerde instelling moeten krijgen. De gemeente Nijmegen daarentegen ziet het Armbestuur als een deel van het gemeentelijk apparaat en stelt de secretaris-rentmeester en bode gelijk aan andere ambtenaren in dienst van de gemeente. Over deze 'zelfstandigheidskwestie' ontstaan geschillen met Gedeputeerde Staten die regelmatig bezwaren aantekenen tegen de post Burgerlijk Armbestuur op de rekening van de gemeente Nijmegen.[2] Decennia later, in 1904, is het de gemeenteraad die besluit de secretaris-rentmeester een salarisverhoging te geven.[3] Niet aan de regenten van het Armbestuur valt de beslissing toe. Nog steeds lijkt de gemeente het Burgerlijk Armbestuur als een door haar beheerde en niet als een gesubsidieerde instelling te beschouwen.

Armenwetten[bewerken]

Op 1 juni 1870 is de Wet tot Regeling van het Armbestuur gewijzigd. Gevolg van de wijziging is dat gemeenten niet meer de onderstand van behoeftigen kunnen verhalen op de gemeenten waar de behoeftigen oorspronkelijk vandaan komen. Het Burgerlijk Armbestuur en de bijzondere instellingen kunnen nu niet langer behoeftigen afschuiven naar andere gemeenten.[4]

Een nieuwe armenwet komt er in 1912.[5] Gehandhaafd blijft het principe dat de armenzorg primair aan kerkelijke en particuliere instellingen toebehoort en dat de gemeentelijke overheid pas in laatste instantie ingrijpt. Wel worden de mogelijkheden van de burgerlijke armbesturen groter. Dubbele bedeling -die in de Nijmeegse praktijk toch al voorkwam- wordt nu wettelijk toegestaan en het verlenen van meer dan de minimale bijstand wordt geoorloofd. Wat ook blijft is het college van regenten. Als burger-ambtenaren blijven de regenten de taken van het Burgerlijk Armbestuur uitoefenen.

Invloed in ziekenhuizen[bewerken]

In Nijmegen was geen sprake van een gemeentelijk ziekenhuis, maar wel van twee bijzondere instellingen: het Ziekenhuis der Hervormde Gemeente en het Ziekenhuis van het R.K. Parochiaal Armbestuur. Deze ziekenhuizen zouden zonder de gemeente heel wat inkomsten zijn misgelopen. Via een subsidie aan het Burgerlijk Armbestuur betaalt de gemeente voor behoeftigen de verpleging in de ziekenhuizen. In 1882 wordt voor een andere constructie gekozen: het Burgerlijk Armbestuur betaalt jaarlijks een vaste som aan de ziekenhuizen.[6] Dit bedrag loopt met de jaren op en geeft aanleiding tot controversen tussen de gemeente en Gedeputeerde Staten die de begrotingen van de gemeente moeten goedkeuren. Als in 1901 de contracten met de ziekenhuizen aflopen en de gemeente een hoger verpleegbedrag per dag voor de door het Burgerlijk Armbestuur gereserveerde bedden moet gaan betalen, gaan Gedeputeerde Staten daarmee niet akkoord. Zij stellen voor een eigen gemeenteziekenhuis te stichten. De gemeente kan met cijfers aantonen dat het RK en protestants ziekenhuis in vergelijking met de ziekenhuizen in andere grote steden zelfs goedkoop zijn. Na deze toelichting verzetten Gedeputeerde Staten zich niet tegen de verhoging van de gemeentelijke subsidie aan het Burgerlijk Armbestuur.[7]

Werklozenzorg[bewerken]

In 1920 loopt de werkloosheid sterk op.[8] Dit betekent voor de georganiseerden een gang naar de vakverenigingen, terwijl de ongeorganiseerde werklozen aangewezen zijn op het Burgerlijk Armbestuur. Een commissie uit het Burgerlijk Armbestuur[9] werpt deze zogeheten 'crisiswerklozen' aan een onderzoek waarna beslist wordt wel of geen uitkering te verstrekken.

In juli 1925 wordt de regeling voor de crisiswerklozen opgeheven. Een overgangsregeling, de crisis-armenzorg, moet de overgang van speciale zorg door het Burgerlijk Armbestuur naar algemene zorg door de armenzorg financieel minder pijnlijk maken. In 1929 komt er een nieuwe steunregeling: de geplande overgang gaat niet door: ongeorganiseerde werklozen blijven ressorteren onder het Burgerlijk Armbestuur. Tijdens de crisisjaren ziet de gemeente zich genoodzaakt toe te treden tot de Rijkssteunregeling. Aanvankelijk berust de uitvoering ervan bij het Burgerlijk Armbestuur, vanaf 1934 is zij in handen van een gemeentelijk Bureau voor steunverlening. Wanneer in 1936 de Gemeentelijke Dienst voor Maatschappelijk Hulpbetoon wordt opgericht, wordt de afdeling werklozensteun van die dienst belast met "de ondersteuningen ingevolge de bepalingen van de rijkssteunregeling."[10] Als de dienst in 1943 omgedoopt wordt in Gemeentelijke Dienst voor Sociale Zaken gaat de zorg voor de werklozen over naar een afdeling van de Sociale Dienst.

'Sociale' hervormingen[bewerken]

Met de groeiende financiële betrokkenheid van de overheid met de armenzorg ontstaat de behoefte aan meer invloed van het lokale bestuur op de armenzorg en met name op het burgerlijk armbestuur. Een andere oorzaak van de landelijk groeiende behoefte aan meer invloed vanuit het lokaal bestuur op het burgerlijk armbestuur, is de verandering in de politieke verhoudingen.[11] Links krijgt meer macht in de gemeenteraden en wenst ook meer zeggenschap over de armenzorg.

In Nijmegen sporen de voornaamste ontwikkelingen na 1919 met het hierboven geschetste patroon.[12] Vanuit de SDAP wordt geprobeerd het aantal regenten van het Burgerlijk Armbestuur uit te breiden, zodat ook linkse arbeidersvertegenwoordigers zitting kunnen nemen in het college van regenten. Het aantal regenten wordt met twee vermeerderd, maar de nieuwkomers in het nu tienkoppige college zijn afkomstig uit de confessionele arbeidershoek. Pas in 1927 wordt een S.D.A.P.-er in het college van regenten gekozen.

Een eerste organisatorische verandering vindt plaats in 1921.[13] Opmerkelijk is het dat het initiatief daartoe van het Armbestuur zelf uitgaat. Het Burgerlijk Armbestuur acht reorganisatie nodig vanwege de noodzaak van betere controle. Het stelt voor dat het onderzoek en de controle bij armlastigen worden opgedragen "... aan personen, die hunne volle kracht daaraan zouden kunnen geven."[14] Met andere woorden: taken die nu nog verricht worden door de regenten als burger-beambten zullen door professionele ambtenaren verricht moeten worden. Uiteindelijk beslist de raad tot aanstelling van één full time armbezoeker. De reorganisatie wordt door het Burgerlijk Armbestuur als een verbetering gezien.[15] In 1928 komt een tweede armbezoeker in vaste dienst bij het burgerlijk armbestuur.

De SDAP-raadsleden blijven kritiek leveren, niet alleen op de samenstelling van het college van regenten, maar ook op het burgerlijk armbestuur als instituut. Het eerste punt van kritiek leidt in 1927 tot een uitbreiding van het college van regenten met vier personen, onder wie nu ook een socialist. Het tweede punt, een voorstel om het Burgerlijk Armbestuur tot een gemeentelijke dienst om te vormen, leidt in 1927 nog niet tot een resultaat.

Opheffing[bewerken]

Op 11 december 1935 besluit de raad op voorstel van Burgemeester en Wethouders tot opheffing van het Burgerlijk Armbestuur en tot instelling van een gemeentelijke tak van dienst onder de naam Gemeentelijke Dienst voor Maatschappelijk Hulpbetoon.

Voetnoten[bewerken]

  1. Gemeenteverslag, 1855, p. 55.
  2. Koolen G., Het Burgerlijk Armbestuur te Nijmegen (1854-1912), (scriptie G.A.N. 1978), pp. 26 e.v.
  3. Raadsbesluit 26 november 1904, zie ook gemeenteverslag, 1904, p. 101.
  4. Gemeenteverslag, 1870, p. 60; Koolen, G., a.w., p. 10.
  5. Wet van 27 april 1912, Staatsblad 165. Voor de armenzorg te Nijmegen in de periode vanaf 1912 zie : Huibers B., Maatschappelijke zorg in Nijmegen 1912-1940, (scriptie G.A.N. 1977). Hoofdstuk II van deze scriptie geeft een duidelijk overzicht van de organisatiestructuur van de hulpverlening.
  6. Deze nieuwe constructie maakt een verhoging van de gemeentelijke subsidie aan het BA noodzakelijk. Tegen deze verhoging tekenen Gedeputeerde Staten bezwaar aan, maar tenslotte hechtten zij daaraan toch hun goedkeuring. Zie gemeenteverslag, 1882, p. 10.
  7. Gemeenteverslag, 1901, pp. 20-22.
  8. Voor de werkzaamheden van het Steuncomité tijdens en direct na de Eerste Wereldoorlog, zie Leon Gruppelaar, Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen 1851-1919, Nijmegen 1994, pp. 55, 56.
  9. In elke gemeente waar een groot aantal crisiswerklozen is, wordt een dergelijke commissie opgericht. De uitkeringen komen voor 50% op rekening van het Rijk en 50% op die van de gemeente. Huibers B., Maatschappelijke zorg in Nijmegen 1912-1940, (scriptie G.A.N. 1977). p. 48 e.v.
  10. Gemeenteverslag 1936, bijlage K, p. 4. Later, nog in 1942, heet de afdeling 'werklozensteun en werkverruiming'.
  11. Valk, L. van der, Van pauperzorg tot bestaanszekerheid. Een onderzoek naar de ontwikkeling van de armenzorg in Nederland tegen de achtergrond van de overgang naar de Algemene bijstandswet, 1912-1965, Amsterdam 1986, p. 128.
  12. Deze ontwikkelingen zijn voornamelijk beschreven aan de hand van Huibers, B., Maatschappelijke zorg in Nijmegen 1912-1940, Nijmegen (scriptie GAN) 1977, pp. 14 e.v.
  13. Zie Gemeenteverslag, 1921, pp. 41 e.v.
  14. Gemeenteverslag, 1921, p. 41.
  15. Gemeenteverslag, 1992, Bijlagen, Tweede Deel, verslag W, p. 2.

Bronnen[bewerken]

  • Gruppelaar, L., 'Lokaal bestuur en stedelijke overheid te Nijmegen, 1816-1851', Gemeentearchief Nijmegen, 1994.
  • Gruppelaar, L., 'Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1851-1919', Gemeentearchief Nijmegen, 1994.
  • Gruppelaar, L., 'Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1919-1945', Gemeentearchief Nijmegen, 1995.

Verantwoording[bewerken]

Bewerking van de resultaten van onderzoek, gedaan in de jaren 1994-1996, naar lokaal bestuur en gemeentelijke overheid in Nijmegen door Lisette Kuijper (Regionaal Archief Nijmegen, 2010)


KENNISBANK
Verder graven in de historie van stad en omgeving
FACEBOOK
Op de hoogte blijven van het laatste nieuws van het Huis
EDUCATIE
Projecten en maatwerk voor het onderwijs
VERHALEN
Verteld verleden