College van Gemeenslieden der Stad Nijmegen

Uit Het Digitale Huis
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Let op: deze website is momenteel onder constructie. Helaas zullen hierdoor niet alle pagina's naar behoren functioneren. Onze excuses voor het ongemak!

Algemene gegevens
Naam : College van Gemeenslieden der Stad Nijmegen
Andere naam (namen):

{{#if: | * [[Andere naam::{{{Andere naam1}}}]]|}} {{#if: | * [[Andere naam::{{{Andere naam2}}}]]|}} {{#if: | * [[Andere naam::{{{Andere naam3}}}]]|}} {{#if: | * [[Andere naam::{{{Andere naam4}}}]]|}}

Bestaansperiode: Beginjaar::1592 - Eindjaar::1798
Rechtsvorm: Rechtsvorm::
Voorganger(s):

{{#if: | * [[opvolger van::{{{Voorganger1}}}]]|}} {{#if: | * [[opvolger van::{{{Voorganger2}}}]]|}} {{#if: | * [[opvolger van::{{{Voorganger3}}}]]|}} {{#if: | * [[opvolger van::{{{Voorganger4}}}]]|}}

Opvolger(s):

{{#if: | * [[voorganger van::{{{Opvolger1}}}]]|}} {{#if: | * [[voorganger van::{{{Opvolger2}}}]]|}} {{#if: | * [[voorganger van::{{{Opvolger3}}}]]|}} {{#if: | * [[voorganger van::{{{Opvolger4}}}]]|}}

Hoger orgaan:

{{#if: | Hoger orgaan::|}}

Archief
{{#if: http://studiezaal.nijmegen.nl/ran/_detail.aspx?xmldescid=2126496993%7C Het archief van deze organisatie is in beheer bij het Regionaal Archief Nijmegen. De toegang met de beschrijving van de stukken is bereikbaar via deze link:
|}}

{{#if: | Vindplaats archief:|}}

{{#if: http://studiezaal.nijmegen.nl/ran/_detail.aspx?xmldescid=2126496993%7C
|}}{{#if: http://studiezaal.nijmegen.nl/ran/_detail.aspx?xmldescid=2126496993%7CNaar beschrijving archief|}}{{#if: | |}}

{{#if: In de late middeleeuwen werd het stadsbestuur, bestaande uit de raad, schepenen en burgemeesters, gecontroleerd door de meesters van het Sinter Claesgilde. Het Sinter Claesgilde werd gevormd door ongeveer 200 burgers uit de voornaamste gilden en broederschappen in de stad. Zes en later acht ‘Claesmeesters’, de belangrijkste vertegenwoordigers van het gilde, hadden de taak het stadsbestuur te controleren. Zij hadden één van de sleutels van De Blok, de kist waarin de belangrijkste privileges van de stad waren opgeborgen; ze mochten voordrachten doen voor de raad; en ze waren in de zestiende eeuw aanwezig bij belangrijke besprekingen die de stad aangingen en bij verdragen die de stad sloot.

Na de verovering van Nijmegen door Staatse troepen in 1591 liet Maurits van Nassau in 1592 het Sinter Claesgilde opheffen.|

Algemene context

In de late middeleeuwen werd het stadsbestuur, bestaande uit de raad, schepenen en burgemeesters, gecontroleerd door de meesters van het Sinter Claesgilde. Het Sinter Claesgilde werd gevormd door ongeveer 200 burgers uit de voornaamste gilden en broederschappen in de stad. Zes en later acht ‘Claesmeesters’, de belangrijkste vertegenwoordigers van het gilde, hadden de taak het stadsbestuur te controleren. Zij hadden één van de sleutels van De Blok, de kist waarin de belangrijkste privileges van de stad waren opgeborgen; ze mochten voordrachten doen voor de raad; en ze waren in de zestiende eeuw aanwezig bij belangrijke besprekingen die de stad aangingen en bij verdragen die de stad sloot.

Na de verovering van Nijmegen door Staatse troepen in 1591 liet Maurits van Nassau in 1592 het Sinter Claesgilde opheffen. |}}

{{#if: === Instelling === De Claesmeesters werden vervangen door een college van 32 gemeenslieden, dat was aangewezen door de vertegenwoordiger van de stadhouder in Gelderland. De gemeenslieden heetten de burgers te vertegenwoordigen, maar hadden aanzienlijk minder macht dan de Claesmeesters. Zij mochten geen raadsleden meer voordragen en mochten zelfs niet meer aanwezig zijn bij vergaderingen van de raad.

Dalende invloed De onafhankelijkheid van het college kwam al snel in gevaar doordat er na verloop van tijd familiebanden ontstonden tussen raadsleden en gemeenslieden. Verder kwam het veelvuldig voor dat vrijgekomen plaatsen in het college jarenlang niet werden opgevuld. In de loop van de zeventiende eeuw werd de functie van het college zodanig uitgehold dat het nog slechts een symbolische functie had.

In het Eerste Stadhouderloze Tijdperk (1650-1675) kon de raad zelf zijn bestuurders kiezen. De raad hield de gemeenslieden bij die keuze buitenspel, ondanks een overeenkomst uit 1648 waarin was besloten dat de gemeenslieden mochten kiezen uit een voordracht van twee kandidaten. Het stadsbestuur koos zelf de nieuwe gemeenslieden uit, na een voordracht van een dubbeltal door de zittende gemeenslieden.

Tijdelijk herstel van taak en omvang

Onder stadhouder Willem III, vanaf 1675, was het weer zijn afgevaardigde die de gemeenslieden benoemde, en wel voor het leven. Na overlijden van een lid bleef vervanging echter vaak uit. Toen het college in juni 1702 nog slechts zeven leden telde, was de maat vol en eiste het herstel van zijn oorspronkelijke taak – en omvang. De raad ging hier pas na zware druk toe over.

De grote politieke onrust in de daaropvolgende jaren, die bekend werd als de ‘Plooierijen’ en waarin de gemeenslieden een actieve rol hadden, resulteerde in 1705 in een vernieuwd stadsbestuur. Onder deze nieuwe bestuurders bleek het college weinig aan invloed te hebben gewonnen. Ook deze raad vulde vacatures in het college maar traag op en stelde verwanten als gemeenslieden aan.

Opleving en opheffing

Toen eind achttiende eeuw de patriotten landelijk terrein wonnen, wist het college zijn invloed voorzichtig wat te vergroten. Vlak voor de Franse inval van 8 november 1794 sloeg een deel van het stadsbestuur op de vlucht en nam het college van gemeenslieden het dagelijks bestuur van de stad over. De Fransen stelden de oude raad en gemeenslieden al snel buiten functie, maar in februari 1797 keerden de gemeenslieden terug, wederom als controleurs van de raad. Kort daarna verdween het college van het toneel. De laatste vermeldingen dateren uit 1798.|

Geschiedenis

Instelling

De Claesmeesters werden vervangen door een college van 32 gemeenslieden, dat was aangewezen door de vertegenwoordiger van de stadhouder in Gelderland. De gemeenslieden heetten de burgers te vertegenwoordigen, maar hadden aanzienlijk minder macht dan de Claesmeesters. Zij mochten geen raadsleden meer voordragen en mochten zelfs niet meer aanwezig zijn bij vergaderingen van de raad.

Dalende invloed De onafhankelijkheid van het college kwam al snel in gevaar doordat er na verloop van tijd familiebanden ontstonden tussen raadsleden en gemeenslieden. Verder kwam het veelvuldig voor dat vrijgekomen plaatsen in het college jarenlang niet werden opgevuld. In de loop van de zeventiende eeuw werd de functie van het college zodanig uitgehold dat het nog slechts een symbolische functie had.

In het Eerste Stadhouderloze Tijdperk (1650-1675) kon de raad zelf zijn bestuurders kiezen. De raad hield de gemeenslieden bij die keuze buitenspel, ondanks een overeenkomst uit 1648 waarin was besloten dat de gemeenslieden mochten kiezen uit een voordracht van twee kandidaten. Het stadsbestuur koos zelf de nieuwe gemeenslieden uit, na een voordracht van een dubbeltal door de zittende gemeenslieden.

Tijdelijk herstel van taak en omvang

Onder stadhouder Willem III, vanaf 1675, was het weer zijn afgevaardigde die de gemeenslieden benoemde, en wel voor het leven. Na overlijden van een lid bleef vervanging echter vaak uit. Toen het college in juni 1702 nog slechts zeven leden telde, was de maat vol en eiste het herstel van zijn oorspronkelijke taak – en omvang. De raad ging hier pas na zware druk toe over.

De grote politieke onrust in de daaropvolgende jaren, die bekend werd als de ‘Plooierijen’ en waarin de gemeenslieden een actieve rol hadden, resulteerde in 1705 in een vernieuwd stadsbestuur. Onder deze nieuwe bestuurders bleek het college weinig aan invloed te hebben gewonnen. Ook deze raad vulde vacatures in het college maar traag op en stelde verwanten als gemeenslieden aan.

Opleving en opheffing

Toen eind achttiende eeuw de patriotten landelijk terrein wonnen, wist het college zijn invloed voorzichtig wat te vergroten. Vlak voor de Franse inval van 8 november 1794 sloeg een deel van het stadsbestuur op de vlucht en nam het college van gemeenslieden het dagelijks bestuur van de stad over. De Fransen stelden de oude raad en gemeenslieden al snel buiten functie, maar in februari 1797 keerden de gemeenslieden terug, wederom als controleurs van de raad. Kort daarna verdween het college van het toneel. De laatste vermeldingen dateren uit 1798. |Van deze organisatie is nog geen beschrijving beschikbaar.}}

{{#if: Het controleren van de raad, onder andere door bij tussentijdse vacatures twee kandidaat-raadsleden voor te dragen waaruit de raad moest kiezen.|

Taken en activiteiten

Het controleren van de raad, onder andere door bij tussentijdse vacatures twee kandidaat-raadsleden voor te dragen waaruit de raad moest kiezen. |}}

{{#if: Het college bestond in principe uit 32 leden, die door (de afgevaardigde van) de stadhouder werden benoemd en in stadhouderloze tijdperken door de raad van Nijmegen.|

Organisatie

Het college bestond in principe uit 32 leden, die door (de afgevaardigde van) de stadhouder werden benoemd en in stadhouderloze tijdperken door de raad van Nijmegen. |}}

{{#if: {{#if:1592-1798|locatie periode::1592-1798:|}}plaatsnaam::Nijmegen adres:: {{#if:|locatie in googlemaps|}}
|

Locatie

{{#if:1592-1798|locatie periode::1592-1798:|}}plaatsnaam::Nijmegen adres:: {{#if:|locatie in googlemaps|}}
|}} {{#if: |

|}} {{#if: === Instelling === De Claesmeesters werden vervangen door een college van 32 gemeenslieden, dat was aangewezen door de vertegenwoordiger van de stadhouder in Gelderland. De gemeenslieden heetten de burgers te vertegenwoordigen, maar hadden aanzienlijk minder macht dan de Claesmeesters. Zij mochten geen raadsleden meer voordragen en mochten zelfs niet meer aanwezig zijn bij vergaderingen van de raad.

Dalende invloed De onafhankelijkheid van het college kwam al snel in gevaar doordat er na verloop van tijd familiebanden ontstonden tussen raadsleden en gemeenslieden. Verder kwam het veelvuldig voor dat vrijgekomen plaatsen in het college jarenlang niet werden opgevuld. In de loop van de zeventiende eeuw werd de functie van het college zodanig uitgehold dat het nog slechts een symbolische functie had.

In het Eerste Stadhouderloze Tijdperk (1650-1675) kon de raad zelf zijn bestuurders kiezen. De raad hield de gemeenslieden bij die keuze buitenspel, ondanks een overeenkomst uit 1648 waarin was besloten dat de gemeenslieden mochten kiezen uit een voordracht van twee kandidaten. Het stadsbestuur koos zelf de nieuwe gemeenslieden uit, na een voordracht van een dubbeltal door de zittende gemeenslieden.

Tijdelijk herstel van taak en omvang

Onder stadhouder Willem III, vanaf 1675, was het weer zijn afgevaardigde die de gemeenslieden benoemde, en wel voor het leven. Na overlijden van een lid bleef vervanging echter vaak uit. Toen het college in juni 1702 nog slechts zeven leden telde, was de maat vol en eiste het herstel van zijn oorspronkelijke taak – en omvang. De raad ging hier pas na zware druk toe over.

De grote politieke onrust in de daaropvolgende jaren, die bekend werd als de ‘Plooierijen’ en waarin de gemeenslieden een actieve rol hadden, resulteerde in 1705 in een vernieuwd stadsbestuur. Onder deze nieuwe bestuurders bleek het college weinig aan invloed te hebben gewonnen. Ook deze raad vulde vacatures in het college maar traag op en stelde verwanten als gemeenslieden aan.

Opleving en opheffing

Toen eind achttiende eeuw de patriotten landelijk terrein wonnen, wist het college zijn invloed voorzichtig wat te vergroten. Vlak voor de Franse inval van 8 november 1794 sloeg een deel van het stadsbestuur op de vlucht en nam het college van gemeenslieden het dagelijks bestuur van de stad over. De Fransen stelden de oude raad en gemeenslieden al snel buiten functie, maar in februari 1797 keerden de gemeenslieden terug, wederom als controleurs van de raad. Kort daarna verdween het college van het toneel. De laatste vermeldingen dateren uit 1798.| {{#if: * Kuys, J. en H. Bots, Nijmegen. Geschiedenis van de oudste stad van Nederland. Middeleeuwen en Nieuwe tijd, Wormer, 2005.

  • Theeuwen, P., Inleiding Stadsbestuur Nijmegen, 1196 – 1810, Nijmegen, 2017.|

Bronnen

  • Kuys, J. en H. Bots, Nijmegen. Geschiedenis van de oudste stad van Nederland. Middeleeuwen en Nieuwe tijd, Wormer, 2005.
  • Theeuwen, P., Inleiding Stadsbestuur Nijmegen, 1196 – 1810, Nijmegen, 2017.

|}} |}}

{{#if: === Instelling === De Claesmeesters werden vervangen door een college van 32 gemeenslieden, dat was aangewezen door de vertegenwoordiger van de stadhouder in Gelderland. De gemeenslieden heetten de burgers te vertegenwoordigen, maar hadden aanzienlijk minder macht dan de Claesmeesters. Zij mochten geen raadsleden meer voordragen en mochten zelfs niet meer aanwezig zijn bij vergaderingen van de raad.

Dalende invloed De onafhankelijkheid van het college kwam al snel in gevaar doordat er na verloop van tijd familiebanden ontstonden tussen raadsleden en gemeenslieden. Verder kwam het veelvuldig voor dat vrijgekomen plaatsen in het college jarenlang niet werden opgevuld. In de loop van de zeventiende eeuw werd de functie van het college zodanig uitgehold dat het nog slechts een symbolische functie had.

In het Eerste Stadhouderloze Tijdperk (1650-1675) kon de raad zelf zijn bestuurders kiezen. De raad hield de gemeenslieden bij die keuze buitenspel, ondanks een overeenkomst uit 1648 waarin was besloten dat de gemeenslieden mochten kiezen uit een voordracht van twee kandidaten. Het stadsbestuur koos zelf de nieuwe gemeenslieden uit, na een voordracht van een dubbeltal door de zittende gemeenslieden.

Tijdelijk herstel van taak en omvang

Onder stadhouder Willem III, vanaf 1675, was het weer zijn afgevaardigde die de gemeenslieden benoemde, en wel voor het leven. Na overlijden van een lid bleef vervanging echter vaak uit. Toen het college in juni 1702 nog slechts zeven leden telde, was de maat vol en eiste het herstel van zijn oorspronkelijke taak – en omvang. De raad ging hier pas na zware druk toe over.

De grote politieke onrust in de daaropvolgende jaren, die bekend werd als de ‘Plooierijen’ en waarin de gemeenslieden een actieve rol hadden, resulteerde in 1705 in een vernieuwd stadsbestuur. Onder deze nieuwe bestuurders bleek het college weinig aan invloed te hebben gewonnen. Ook deze raad vulde vacatures in het college maar traag op en stelde verwanten als gemeenslieden aan.

Opleving en opheffing

Toen eind achttiende eeuw de patriotten landelijk terrein wonnen, wist het college zijn invloed voorzichtig wat te vergroten. Vlak voor de Franse inval van 8 november 1794 sloeg een deel van het stadsbestuur op de vlucht en nam het college van gemeenslieden het dagelijks bestuur van de stad over. De Fransen stelden de oude raad en gemeenslieden al snel buiten functie, maar in februari 1797 keerden de gemeenslieden terug, wederom als controleurs van de raad. Kort daarna verdween het college van het toneel. De laatste vermeldingen dateren uit 1798.|

Verantwoording

{{#if: Hylke Roodenburg|Inleiding van de toegang op het archief door Hylke Roodenburg.|}} {{#if:2019|(2019)|}}

|}}


{{#if: 1.1 Bestuursinstellingen| |}} {{#if: | [[Categorie:]] |}} {{#if: | [[Categorie:]] |}} {{#if: | [[Categorie:]] |}}

{{#if:853| |}}