header wiki – Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

College van Gemeenslieden der Stad Nijmegen

Uit Huis van de Nijmeegse geschiedenis

Ga naar: navigatie, zoeken
Algemene gegevens
Naam : College van Gemeenslieden der Stad Nijmegen
Andere naam (namen):

Bestaansperiode: 1592 - 1798
Rechtsvorm:
Voorganger(s):

Opvolger(s):

Hoger orgaan:

Archief
Het archief van deze organisatie is in beheer bij het Regionaal Archief Nijmegen. De toegang met de beschrijving van de stukken is bereikbaar via deze link:
Icoon archief.png
Naar beschrijving archief

Algemene context

In de late middeleeuwen werd het stadsbestuur, bestaande uit de raad, schepenen en burgemeesters, gecontroleerd door de meesters van het Sinter Claesgilde. Het Sinter Claesgilde werd gevormd door ongeveer 200 burgers uit de voornaamste gilden en broederschappen in de stad. Zes en later acht ‘Claesmeesters’, de belangrijkste vertegenwoordigers van het gilde, hadden de taak het stadsbestuur te controleren. Zij hadden één van de sleutels van De Blok, de kist waarin de belangrijkste privileges van de stad waren opgeborgen; ze mochten voordrachten doen voor de raad; en ze waren in de zestiende eeuw aanwezig bij belangrijke besprekingen die de stad aangingen en bij verdragen die de stad sloot.

Na de verovering van Nijmegen door Staatse troepen in 1591 liet Maurits van Nassau in 1592 het Sinter Claesgilde opheffen.

Geschiedenis

Instelling

De Claesmeesters werden vervangen door een college van 32 gemeenslieden, dat was aangewezen door de vertegenwoordiger van de stadhouder in Gelderland. De gemeenslieden heetten de burgers te vertegenwoordigen, maar hadden aanzienlijk minder macht dan de Claesmeesters. Zij mochten geen raadsleden meer voordragen en mochten zelfs niet meer aanwezig zijn bij vergaderingen van de raad.

Dalende invloed De onafhankelijkheid van het college kwam al snel in gevaar doordat er na verloop van tijd familiebanden ontstonden tussen raadsleden en gemeenslieden. Verder kwam het veelvuldig voor dat vrijgekomen plaatsen in het college jarenlang niet werden opgevuld. In de loop van de zeventiende eeuw werd de functie van het college zodanig uitgehold dat het nog slechts een symbolische functie had.

In het Eerste Stadhouderloze Tijdperk (1650-1675) kon de raad zelf zijn bestuurders kiezen. De raad hield de gemeenslieden bij die keuze buitenspel, ondanks een overeenkomst uit 1648 waarin was besloten dat de gemeenslieden mochten kiezen uit een voordracht van twee kandidaten. Het stadsbestuur koos zelf de nieuwe gemeenslieden uit, na een voordracht van een dubbeltal door de zittende gemeenslieden.

Tijdelijk herstel van taak en omvang

Onder stadhouder Willem III, vanaf 1675, was het weer zijn afgevaardigde die de gemeenslieden benoemde, en wel voor het leven. Na overlijden van een lid bleef vervanging echter vaak uit. Toen het college in juni 1702 nog slechts zeven leden telde, was de maat vol en eiste het herstel van zijn oorspronkelijke taak – en omvang. De raad ging hier pas na zware druk toe over.

De grote politieke onrust in de daaropvolgende jaren, die bekend werd als de ‘Plooierijen’ en waarin de gemeenslieden een actieve rol hadden, resulteerde in 1705 in een vernieuwd stadsbestuur. Onder deze nieuwe bestuurders bleek het college weinig aan invloed te hebben gewonnen. Ook deze raad vulde vacatures in het college maar traag op en stelde verwanten als gemeenslieden aan.

Opleving en opheffing

Toen eind achttiende eeuw de patriotten landelijk terrein wonnen, wist het college zijn invloed voorzichtig wat te vergroten. Vlak voor de Franse inval van 8 november 1794 sloeg een deel van het stadsbestuur op de vlucht en nam het college van gemeenslieden het dagelijks bestuur van de stad over. De Fransen stelden de oude raad en gemeenslieden al snel buiten functie, maar in februari 1797 keerden de gemeenslieden terug, wederom als controleurs van de raad. Kort daarna verdween het college van het toneel. De laatste vermeldingen dateren uit 1798.

Taken en activiteiten

Het controleren van de raad, onder andere door bij tussentijdse vacatures twee kandidaat-raadsleden voor te dragen waaruit de raad moest kiezen.

Organisatie

Het college bestond in principe uit 32 leden, die door (de afgevaardigde van) de stadhouder werden benoemd en in stadhouderloze tijdperken door de raad van Nijmegen.

Locatie

1592-1798:Nijmegen

Bronnen

  • Kuys, J. en H. Bots, Nijmegen. Geschiedenis van de oudste stad van Nederland. Middeleeuwen en Nieuwe tijd, Wormer, 2005.
  • Theeuwen, P., Inleiding Stadsbestuur Nijmegen, 1196 – 1810, Nijmegen, 2017.

Verantwoording

Inleiding van de toegang op het archief door Hylke Roodenburg. (2019)



KENNISBANK
Verder graven in de historie van stad en omgeving
FACEBOOK
Op de hoogte blijven van het laatste nieuws van het Huis
EDUCATIE
Projecten en maatwerk voor het onderwijs
VERHALEN
Verteld verleden