Dienst Gemeentewerken Nijmegen

Uit Het Digitale Huis
(Doorverwezen vanaf Dienst gemeentewerken)
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Let op: deze website is momenteel onder constructie. Helaas zullen hierdoor niet alle pagina's naar behoren functioneren. Onze excuses voor het ongemak!

Algemene gegevens
Naam : Dienst Gemeentewerken Nijmegen
Andere naam (namen):

{{#if: Openbare Werken| * Andere naam::Openbare Werken|}} {{#if: | * [[Andere naam::{{{Andere naam2}}}]]|}} {{#if: | * [[Andere naam::{{{Andere naam3}}}]]|}} {{#if: | * [[Andere naam::{{{Andere naam4}}}]]|}}

Bestaansperiode: Beginjaar::1906 - Eindjaar::1949
Rechtsvorm: Rechtsvorm::
Voorganger(s):

{{#if: | * [[opvolger van::{{{Voorganger1}}}]]|}} {{#if: | * [[opvolger van::{{{Voorganger2}}}]]|}} {{#if: | * [[opvolger van::{{{Voorganger3}}}]]|}} {{#if: | * [[opvolger van::{{{Voorganger4}}}]]|}}

Opvolger(s):

{{#if: Dienst Publieke Werken en Volkshuisvesting van de Gemeente Nijmegen| * voorganger van::Dienst Publieke Werken en Volkshuisvesting van de Gemeente Nijmegen|}} {{#if: Dienst Bouw- en Woningtoezicht| * voorganger van::Dienst Bouw- en Woningtoezicht|}} {{#if: Dienst Plantsoenen en Bosbeheer Gemeente Nijmegen| * voorganger van::Dienst Plantsoenen en Bosbeheer Gemeente Nijmegen|}} {{#if: | * [[voorganger van::{{{Opvolger4}}}]]|}}

Hoger orgaan:

{{#if: | Hoger orgaan::|}}

Archief
{{#if: https://studiezaal.nijmegen.nl/ran/_detail.aspx?xmldescid=2126492137%7C Het archief van deze organisatie is in beheer bij het Regionaal Archief Nijmegen. De toegang met de beschrijving van de stukken is bereikbaar via deze link:
|}}

{{#if: | Vindplaats archief:|}}

{{#if: https://studiezaal.nijmegen.nl/ran/_detail.aspx?xmldescid=2126492137%7C
|}}{{#if: https://studiezaal.nijmegen.nl/ran/_detail.aspx?xmldescid=2126492137%7CNaar beschrijving archief|}}{{#if: | |}}

{{#if: In de negentiende eeuw had de gemeente Nijmegen een soort reparatie- en onderhoudsdienst die zich, behalve met gemeentewerken in beperkte zin, ook met het onderhoud van de plantsoenen en de uitvoering van de gemeentereiniging bezig hield. De dienst breidde haar werkzaamheden in de loop der jaren zodanig uit dat naast het uitvoerende werk het beleidsmatige en projectmatige werk steeds belangrijker werd.

Voorafgaand aan de ontmanteling van de stad in 1876-1880 bestond de dienst slechts uit een gemeentearchitect en een werkbaas/opzichter over de gemeentewerken. Tijdens de daaropvolgende uitleg van de stad had de dienst een belangrijke rol, al bleef hij klein van omvang. In 1899 werd een adjunct-gemeentearchitect aangesteld en in 1900 een tweede opzichter. Ander vast personeel had gemeentewerken niet – de werklieden waren in dienst bij de aannemers aan wie de werken voor de gemeente werden uitbesteed.

Na de inwerkingtreding van de Woningwet in 1901 wenste het college van Burgemeester en Wethouders een uitbreiding van de dienst, die tot dan toe werd aangeduid als ‘gemeente-eigendommen, werken en inrichtingen’.|

Algemene context

In de negentiende eeuw had de gemeente Nijmegen een soort reparatie- en onderhoudsdienst die zich, behalve met gemeentewerken in beperkte zin, ook met het onderhoud van de plantsoenen en de uitvoering van de gemeentereiniging bezig hield. De dienst breidde haar werkzaamheden in de loop der jaren zodanig uit dat naast het uitvoerende werk het beleidsmatige en projectmatige werk steeds belangrijker werd.

Voorafgaand aan de ontmanteling van de stad in 1876-1880 bestond de dienst slechts uit een gemeentearchitect en een werkbaas/opzichter over de gemeentewerken. Tijdens de daaropvolgende uitleg van de stad had de dienst een belangrijke rol, al bleef hij klein van omvang. In 1899 werd een adjunct-gemeentearchitect aangesteld en in 1900 een tweede opzichter. Ander vast personeel had gemeentewerken niet – de werklieden waren in dienst bij de aannemers aan wie de werken voor de gemeente werden uitbesteed.

Na de inwerkingtreding van de Woningwet in 1901 wenste het college van Burgemeester en Wethouders een uitbreiding van de dienst, die tot dan toe werd aangeduid als ‘gemeente-eigendommen, werken en inrichtingen’. |}}

{{#if: Bij raadsbesluit van 13 januari 1906 werd de dienst Gemeentewerken – nog wel onder de noemer ‘Openbare Werken’ – opgericht. Daarbij hoorde de vaststelling van nieuwe functieaanduidingen: de gemeentearchitect en de adjunct-architect kregen respectievelijk de titels directeur en adjunct-directeur van Gemeentewerken. Op 15 september 1906 stelde de raad een verordening vast voor een commissie van toezicht op het beheer van openbare werken.

Landelijke wetgeving speelde een belangrijke rol bij de veranderingen binnen de dienst. Had de Woningwet van 1901 het over een stratenplan, de nieuwe wet van 1921 sprak over een bestemmingsplan en die van 1931 over een streekplan. Zo ontstond er een verschuiving van huizenbouw naar stedenbouw. Gemeentewerken leverde aan deze ontwikkeling een bijdrage. Enerzijds ging de gemeente (Gemeentewerken) een grotere rol spelen, anderzijds betekende de nationale wetgeving een verdere aantasting van de gemeentelijke autonomie. Een wetswijziging van 1941 maakte stedenbouw en ruimtelijke ordening tot een zaak waarin de provinciale overheid vergaande richtlijnen opstelde voor de huizen- en stedenbouw.

Het aantal personeelsleden was bij de bevrijding opgelopen tot 107. Na de oorlog was Gemeentewerken gevestigd in het Waaggebouw. De dienst speelde een belangrijke rol in de wederopbouw van de stad. In 1949 werd de dienst als Openbare Werken onderdeel van de dienst Publieke Werken en Volkshuisvesting. Het aantal personeelsleden lag in deze tijd rond de dertig.|

Geschiedenis

Bij raadsbesluit van 13 januari 1906 werd de dienst Gemeentewerken – nog wel onder de noemer ‘Openbare Werken’ – opgericht. Daarbij hoorde de vaststelling van nieuwe functieaanduidingen: de gemeentearchitect en de adjunct-architect kregen respectievelijk de titels directeur en adjunct-directeur van Gemeentewerken. Op 15 september 1906 stelde de raad een verordening vast voor een commissie van toezicht op het beheer van openbare werken.

Landelijke wetgeving speelde een belangrijke rol bij de veranderingen binnen de dienst. Had de Woningwet van 1901 het over een stratenplan, de nieuwe wet van 1921 sprak over een bestemmingsplan en die van 1931 over een streekplan. Zo ontstond er een verschuiving van huizenbouw naar stedenbouw. Gemeentewerken leverde aan deze ontwikkeling een bijdrage. Enerzijds ging de gemeente (Gemeentewerken) een grotere rol spelen, anderzijds betekende de nationale wetgeving een verdere aantasting van de gemeentelijke autonomie. Een wetswijziging van 1941 maakte stedenbouw en ruimtelijke ordening tot een zaak waarin de provinciale overheid vergaande richtlijnen opstelde voor de huizen- en stedenbouw.

Het aantal personeelsleden was bij de bevrijding opgelopen tot 107. Na de oorlog was Gemeentewerken gevestigd in het Waaggebouw. De dienst speelde een belangrijke rol in de wederopbouw van de stad. In 1949 werd de dienst als Openbare Werken onderdeel van de dienst Publieke Werken en Volkshuisvesting. Het aantal personeelsleden lag in deze tijd rond de dertig. |Van deze organisatie is nog geen beschrijving beschikbaar.}}

{{#if: Aanvankelijk verzorgde de dienst de aanleg en het onderhoud van wegen, straten en riolering en de aan- en verkoop van grond. In 1947 waren de taken veelzijdiger geworden: de dienst was betrokken bij puinruimen, nieuwbouw, het onderhoud van gebouwen, aanleg en onderhoud van straten, de haven en kades, het bijhouden van het kadaster en de verkoop en verhuur van gemeentelijke eigendommen.|

Taken en activiteiten

Aanvankelijk verzorgde de dienst de aanleg en het onderhoud van wegen, straten en riolering en de aan- en verkoop van grond. In 1947 waren de taken veelzijdiger geworden: de dienst was betrokken bij puinruimen, nieuwbouw, het onderhoud van gebouwen, aanleg en onderhoud van straten, de haven en kades, het bijhouden van het kadaster en de verkoop en verhuur van gemeentelijke eigendommen. |}}

{{#if: De dienst was in 1906 samengesteld uit een directeur en een adjunct-directeur, een hoofdopzichter en vier opzichters, een tekenaar, een klerk-boekhouder en acht werklieden. Vanaf 1910 had de dienst zes opzichters, waarvan er één belast was met het Bouw- en Woningtoezicht. Nadat in 1914 Bouw- en Woningtoezicht was afgesplitst slankte de dienst Gemeentewerken even wat af, maar daarna kende hij opnieuw een groei. In 1918 had Gemeentewerken meer dan zestig personen in dienst. De personeelsopbouw zag er als volgt uit: een directeur en een adjunct-directeur, een hoofdopzichter en drie opzichters gemeentewerken plus een aparte opzichter der wegen; een tekenaar; twee klerken tweede klas en een jeugdige klerk; een chef timmerman, zes timmerlieden eerste klas en een timmerman zonder klasse-aanduiding; twee metselaars en achttien opperlieden metselaars; een schilder tweede klas; een werkman algemene dienst; vijf stratenmakers en zeventien wegwerkers.

In 1947 was Gemeentewerken als volgt onderverdeeld:

  1. Afdeling Gebouwen: deze hield zich bezig met puinruimen, het onderhoud van gebouwen en nieuwbouw.
  2. Afdeling Weg- en Waterbouw: hieronder vielen de riolering, de zuiveringsinstallatie, de aanleg en het onderhoud van straten, werkzaamheden aan haven en kaden.
  3. Meetdienst en Grondbedrijf: tot haar taken behoorden het bijhouden van het kadaster, het uitzetten en vastleggen van verkavelingen, de verkoop en verhuur van gemeentelijke eigendommen. De Meetdienst en het Grondbedrijf vormden samen een afdeling. Het in 1928 opgerichte Grondbedrijf voerde het beheer en de administratie van door de gemeente aangekochte en nog aan te kopen voor bouwterreinen bestemde gronden. Dit bedrijf stelde jaarlijks een eigen jaarrekening en begroting op.

Gemeentewerken had functionele raakvlakken met het Woningbedrijf, de dienst Bouw- en Woningtoezicht en de Dienst Plantsoenen en Bosbeheer. De dienst hoorde niet tot de financieel zelfstandige takken van dienst, de administratie werd sinds 1929 verzorgd door Gemeentediensten.|

Organisatie

De dienst was in 1906 samengesteld uit een directeur en een adjunct-directeur, een hoofdopzichter en vier opzichters, een tekenaar, een klerk-boekhouder en acht werklieden. Vanaf 1910 had de dienst zes opzichters, waarvan er één belast was met het Bouw- en Woningtoezicht. Nadat in 1914 Bouw- en Woningtoezicht was afgesplitst slankte de dienst Gemeentewerken even wat af, maar daarna kende hij opnieuw een groei. In 1918 had Gemeentewerken meer dan zestig personen in dienst. De personeelsopbouw zag er als volgt uit: een directeur en een adjunct-directeur, een hoofdopzichter en drie opzichters gemeentewerken plus een aparte opzichter der wegen; een tekenaar; twee klerken tweede klas en een jeugdige klerk; een chef timmerman, zes timmerlieden eerste klas en een timmerman zonder klasse-aanduiding; twee metselaars en achttien opperlieden metselaars; een schilder tweede klas; een werkman algemene dienst; vijf stratenmakers en zeventien wegwerkers.

In 1947 was Gemeentewerken als volgt onderverdeeld:

  1. Afdeling Gebouwen: deze hield zich bezig met puinruimen, het onderhoud van gebouwen en nieuwbouw.
  2. Afdeling Weg- en Waterbouw: hieronder vielen de riolering, de zuiveringsinstallatie, de aanleg en het onderhoud van straten, werkzaamheden aan haven en kaden.
  3. Meetdienst en Grondbedrijf: tot haar taken behoorden het bijhouden van het kadaster, het uitzetten en vastleggen van verkavelingen, de verkoop en verhuur van gemeentelijke eigendommen. De Meetdienst en het Grondbedrijf vormden samen een afdeling. Het in 1928 opgerichte Grondbedrijf voerde het beheer en de administratie van door de gemeente aangekochte en nog aan te kopen voor bouwterreinen bestemde gronden. Dit bedrijf stelde jaarlijks een eigen jaarrekening en begroting op.

Gemeentewerken had functionele raakvlakken met het Woningbedrijf, de dienst Bouw- en Woningtoezicht en de Dienst Plantsoenen en Bosbeheer. De dienst hoorde niet tot de financieel zelfstandige takken van dienst, de administratie werd sinds 1929 verzorgd door Gemeentediensten. |}}

{{#if: {{#if:1909-circa 1924|locatie periode::1909-circa 1924:|}}plaatsnaam::Nijmegen adres::Vijfringengas 11-13 {{#if:51.848047,5.864589|locatie in googlemaps|}}

{{#if:circa 1928-1944|locatie periode::circa 1928-1944:|}}plaatsnaam::Nijmegen adres::Valkhof 12 {{#if:51.847175,5.869014|locatie in googlemaps|}}

{{#if:1944-1949|locatie periode::1944-1949:|}}plaatsnaam::Nijmegen adres::Grote Markt 27 {{#if:51.847757,5.863784|locatie in googlemaps|}}
|

Locatie

{{#if:1909-circa 1924|locatie periode::1909-circa 1924:|}}plaatsnaam::Nijmegen adres::Vijfringengas 11-13 {{#if:51.848047,5.864589|locatie in googlemaps|}}

{{#if:circa 1928-1944|locatie periode::circa 1928-1944:|}}plaatsnaam::Nijmegen adres::Valkhof 12 {{#if:51.847175,5.869014|locatie in googlemaps|}}

{{#if:1944-1949|locatie periode::1944-1949:|}}plaatsnaam::Nijmegen adres::Grote Markt 27 {{#if:51.847757,5.863784|locatie in googlemaps|}}
|}} {{#if: |

|}} {{#if: Bij raadsbesluit van 13 januari 1906 werd de dienst Gemeentewerken – nog wel onder de noemer ‘Openbare Werken’ – opgericht. Daarbij hoorde de vaststelling van nieuwe functieaanduidingen: de gemeentearchitect en de adjunct-architect kregen respectievelijk de titels directeur en adjunct-directeur van Gemeentewerken. Op 15 september 1906 stelde de raad een verordening vast voor een commissie van toezicht op het beheer van openbare werken.

Landelijke wetgeving speelde een belangrijke rol bij de veranderingen binnen de dienst. Had de Woningwet van 1901 het over een stratenplan, de nieuwe wet van 1921 sprak over een bestemmingsplan en die van 1931 over een streekplan. Zo ontstond er een verschuiving van huizenbouw naar stedenbouw. Gemeentewerken leverde aan deze ontwikkeling een bijdrage. Enerzijds ging de gemeente (Gemeentewerken) een grotere rol spelen, anderzijds betekende de nationale wetgeving een verdere aantasting van de gemeentelijke autonomie. Een wetswijziging van 1941 maakte stedenbouw en ruimtelijke ordening tot een zaak waarin de provinciale overheid vergaande richtlijnen opstelde voor de huizen- en stedenbouw.

Het aantal personeelsleden was bij de bevrijding opgelopen tot 107. Na de oorlog was Gemeentewerken gevestigd in het Waaggebouw. De dienst speelde een belangrijke rol in de wederopbouw van de stad. In 1949 werd de dienst als Openbare Werken onderdeel van de dienst Publieke Werken en Volkshuisvesting. Het aantal personeelsleden lag in deze tijd rond de dertig.| {{#if: * Gruppelaar, L., Lokaal bestuur en stedelijke overheid te Nijmegen, 1816-1851, Gemeentearchief Nijmegen, 1994.

  • Gruppelaar, L. Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1851-1919, Gemeentearchief Nijmegen, 1994.
  • Gruppelaar, L., Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1919-1945, Gemeentearchief Nijmegen, 1995.
  • Nabuurs, N., Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1945-1984, Gemeentearchief Nijmegen, 1996.|

Bronnen

  • Gruppelaar, L., Lokaal bestuur en stedelijke overheid te Nijmegen, 1816-1851, Gemeentearchief Nijmegen, 1994.
  • Gruppelaar, L. Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1851-1919, Gemeentearchief Nijmegen, 1994.
  • Gruppelaar, L., Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1919-1945, Gemeentearchief Nijmegen, 1995.
  • Nabuurs, N., Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1945-1984, Gemeentearchief Nijmegen, 1996.

|}} |}}

{{#if: Bij raadsbesluit van 13 januari 1906 werd de dienst Gemeentewerken – nog wel onder de noemer ‘Openbare Werken’ – opgericht. Daarbij hoorde de vaststelling van nieuwe functieaanduidingen: de gemeentearchitect en de adjunct-architect kregen respectievelijk de titels directeur en adjunct-directeur van Gemeentewerken. Op 15 september 1906 stelde de raad een verordening vast voor een commissie van toezicht op het beheer van openbare werken.

Landelijke wetgeving speelde een belangrijke rol bij de veranderingen binnen de dienst. Had de Woningwet van 1901 het over een stratenplan, de nieuwe wet van 1921 sprak over een bestemmingsplan en die van 1931 over een streekplan. Zo ontstond er een verschuiving van huizenbouw naar stedenbouw. Gemeentewerken leverde aan deze ontwikkeling een bijdrage. Enerzijds ging de gemeente (Gemeentewerken) een grotere rol spelen, anderzijds betekende de nationale wetgeving een verdere aantasting van de gemeentelijke autonomie. Een wetswijziging van 1941 maakte stedenbouw en ruimtelijke ordening tot een zaak waarin de provinciale overheid vergaande richtlijnen opstelde voor de huizen- en stedenbouw.

Het aantal personeelsleden was bij de bevrijding opgelopen tot 107. Na de oorlog was Gemeentewerken gevestigd in het Waaggebouw. De dienst speelde een belangrijke rol in de wederopbouw van de stad. In 1949 werd de dienst als Openbare Werken onderdeel van de dienst Publieke Werken en Volkshuisvesting. Het aantal personeelsleden lag in deze tijd rond de dertig.|

Verantwoording

{{#if: Lisette Kuijper en Hylke Roodenburg|Inleiding van de toegang op het archief door Lisette Kuijper en Hylke Roodenburg.|}} {{#if:2010 en 2017|(2010 en 2017)|}}

|}}


{{#if: 6.1 Openbare werken| |}} {{#if: 6.3 Volkshuisvesting| |}} {{#if: Diensten en bedrijven| |}} {{#if: | [[Categorie:]] |}}

{{#if:830| |}}