header wiki – Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Functionarissen

Uit Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Ga naar: navigatie, zoeken

Er zijn verschillende soorten ambtenaren werkzaam in Nijmegen, die opgedeeld kunnen worden in verschillende klassen. De rechtspositie van ambtenaren is vanaf 1851 sterk verbeterd en de sociale voorzieningen nemen toe. Tegelijkertijd treedt ook een professionalisering en bureaucratisering van het ambtenarenapparaat op. Na de Tweede Wereldoorlog is de gemeentelijke organisatie enorm uitgebreid.

Geschiedenis[bewerken]

Verschillende functionarissen[bewerken]

Het ambtenarenapparaat kon begin 19e eeuw worden opgedeeld in drie verschillende klassen:

  1. (begeving van deze ambten geschied door de gemeenteraad), waaronder de eerste en tweede stadssecretaris en de stadsontvanger
  2. (begeving beurtelings door burgemeesteren en gemeenteraad), waaronder kazernemeester en commies en klerken van de secretarie
  3. (officianten en mindere bediendes, benoemd door de burgemeesteren), waaronder agenten van politie, havenmeester en stadshovenier

Tussen de 'ambtenaren' bestaan grote verschillen, zowel in werktijd als in wijze en hoogte van betaling. Op grond van loon en werktijden zijn verschillende categorieën functionarissen te onderscheiden:

  • de ambtenaren. Deze kunnen zowel in vaste als in tijdelijke dienst zijn. Zij genieten een jaarwedde voor hun betrekking die - en dat geldt ook voor de andere categorieën - fulltime kan zijn of slechts enkele uurtjes per week kan beslaan.
  • de werklieden. Deze vinden we vooral bij de verschillende gemeentebedrijven. Net als de ambtenaren kunnen de werklieden zowel een vast als een tijdelijk dienstverband hebben. Zij genieten een weekloon.
  • functionarissen die per verrichting een bepaald bedrag bij de gemeente mogen declareren of die een collecteloon genieten.
  • functionarissen die per dienst betaald worden door de burgers voor wie zij diensten verrichten.
  • functionarissen die onbezoldigd diensten voor de gemeente verrichten en daarvoor per verrichte dienst niet zo zeer een betaling dan wel een vergoeding krijgen.

Rechtspositie ambtenaren begin 19e eeuw[bewerken]

De bureaucratisering van de gemeente Nijmegen staat in de jaren 1816-1851 nog in de kinderschoenen. Zelfs ambtenaren met een vaste jaarwedde worden voor een jaar benoemd. Voldoen zij, dan wordt hun aanstelling gecontinueerd. Pensioenen zijn geen recht, maar een gunst waarom gevraagd moet worden. Veel 'ambtenaren' genieten slechts een klein inkomen, dat zij moeten aanvullen met inkomsten verkregen van de burgers voor wie zij hun 'ambtelijke' diensten verrichten. Een andere wijze van beloning is het collecteloon. Ambtenaren belast met het innen van gelden voor de stad, mogen een bepaald percentage in eigen zak steken. Vaak ook zijn de baantjes van de ambtenaren deeltijd- of bijbanen. Via hun hoofdberoep moeten zij dan hun kostwinning veilig stellen.

De rechtspositie van ambtenaren verschilt van gemeente tot gemeente. De ambtenaren zijn afhankelijk van hun plaatselijke bazen en kunnen niet een beroep doen op centrale afspraken. De wet van vraag en aanbod is in feite de dominante factor.

Gemeentewet 1851: bureaucratisering[bewerken]

De eerste decennia na 1851 heeft de gemeente Nijmegen nog grotendeels dezelfde aard en omvang als op het einde van de periode vóór de invoering van de gemeentewet van Thorbecke. Belangrijke taken van de gemeente zijn, naast de handhaving van orde en veiligheid, de zorg voor de openbare gezondheid, het onderhoud van de gemeentelijke eigendommen en werken, het verkeer, het marktwezen, het onderwijs en de armenzorg. Deze taakopvatting weerspiegelt zich in het Nijmeegse ambtenarenapparaat.

Tegen het midden van 19e eeuw is het gemeente-ambt meer en meer een gewoon middel van bestaan geworden. In de jaren na 1851 zien we dat de Nederlandse gemeenteambtenaar, ook die in Nijmegen, een evolutie doormaakt. De professionele bureaucraat wordt steeds belangrijker. De ambtenaren krijgen langzamerhand een betere rechtspositie en een hoger niveau van kennis en vaardigheden. Professionaliteit heeft hier dus twee betekenissen. Aan die veranderende positie van de gemeente-ambtenaar is de gemeentewet voorbijgegaan. De gemeentewet schrijft in haar oorspronkelijke redactie de lokale overheden niets voor op het punt van de gemeenteambtenaren. Zij laat de gemeenten vrij in personele aangelegenheden. De dienaren van de lokale overheid zijn aangewezen op initiatieven die het plaatselijke bestuur in de ene gemeente wèl en in de andere niet neemt.

Pas in het begin van de 20e eeuw wordt op nationaal niveau iets gedaan aan de rechtspositieverbetering, mede onder druk van de dan landelijk opererende vakbewegingen. De gemeentewet biedt geen soelaas. Via voorzieningen in speciale wetten moeten er regelingen voor de ambtenaren getroffen worden. Zoals gesteld verandert het ambtenarenapparaat de eerste jaren nauwelijks. In 1851 is het even spannend voor iedereen in dienst van de gemeente Nijmegen, want voor elke 'ambtenaar' afzonderlijk moet het gemeentebestuur beslissen of hij mag aanblijven.

De gemeentesecretaris en gemeenteontvanger vormen de ambtelijke bovenlaag. De gemeenteraad benoemt deze twee topambtenaren en alle lager in rang zijnde ambtenaren, met uitzondering van de onderkant van de ambtelijke hiërarchie die door het college van Burgemeester en Wethouders benoemd mag worden. Van elke benoeming, schorsing of ontslag van door B. en W. benoemde ambtenaren zal het college de raad in kennis stellen. Behalve het feit dat sommige ambtenaren door andere bestuursorganen dan voorheen benoemd worden, verandert er in 1851 weinig. Alle ambtenaren mogen aanblijven, uitgezonderd de stadssecretarissen, van wie er maar één in functie mag blijven.

Sociale regelingen[bewerken]

Enkele jaren na de invoering van de gemeentewet komt er een eerste pensioenregeling. Op 1 juli 1854 wordt een verordening afgekondigd, waarin de instelling centraal staat van een pensioenfonds. Het betreft hier een vrijwillig fonds voor de ambtenaren en bedienden in de gemeente Nijmegen en voor hun weduwen en wezen. Onlosmakelijk verbonden aan dit pensioenfonds is de raadscommissie voor het pensioenfonds, in latere jaren tot 1913 commissie van bijstand voor het gemeente-pensioenfonds geheten. Vanaf de stichting van dit eerste vrijwillige pensioenfonds tot aan de -nationale- pensioenwetten van 1913 heeft de gemeente in toenemende mate de taak op zich genomen om verbeteringen aan te brengen in de voorzieningen die de Nijmeegse ambtenaren zowel bij ziekte als op de oude dag bestaanszekerheid bieden.

Rechtspositionele regelingen voor ziekte en pensionering dragen bij tot de verbetering van het bestaan van 'de' Nijmeegse ambtenaar. Maar van de ambtenaar mag gezien de grote onderlinge verschillen nauwelijks gesproken worden. Veel ambtenaren werken in deeltijd. Soms vindt herziening van het dienstverband plaats door de gemeenteraad en wordt na veel beraadslagingen besloten, dat een bepaalde baan toch meer tijd van een ambtenaar vergt en dus een hogere beloning rechtvaardigt. Ook vinden in de raad discussies plaats naar aanleiding van verzoeken van ambtenaren om salarisverhoging. In zulke gevallen wordt gekeken naar andere inkomsten die de ambtenaren dankzij hun baan ontvangen. Als ambtenaren fooien krijgen of als de praktijk is dat zij voor hun diensten aan de burgers een extra geldelijke beloning vragen, dan kan dat ertoe leiden dat de raad niet toestemt in een salarisverhoging.


In de loop van de periode 1851-1919 vindt een vorm van standaardisatie plaats: het aantal voltijdse banen neemt toe; het aandeel van de ambtenaren die per verrichte dienst of via een collecteloon hun geld verdienen neemt af en het aantal ambtenaren en werklieden met een vaste jaarwedde, respectievelijk vast weekloon neemt toe; steeds meer staat de beloning in directe relatie tot het hiërarchisch niveau van de functie en het opleidingsniveau van de functionaris. Kortom het gemeentelijk apparaat wordt steeds meer een professionele bureaucratie, wat zowel geldt voor de secretarie als voor de diensten en bedrijven

Ook kan gesteld worden dat voor de ambtenaren en werklieden als werknemers steeds meer aandacht is. Behalve uit voorzieningen voor ziekte en oude dag blijkt die toegenomen aandacht uit de in de 20e eeuw steeds talrijker wordende veranderingen in de beloning en beloningsstructuur van het gemeentelijk personeel en uit de toenemende mogelijkheden van inspraak voor werklieden en ambtenaren. Om hieruit nu de conclusie te trekken dat de gemeente zich ontwikkeld heeft tot een ambtenarenparadijs is erg voorbarig: pas in 1918 wordt voor ambtenaren en werklieden de vrije zaterdagmiddag ingevoerd. De wekelijkse arbeidstijd gaat dan terug van 60 naar 54 uur.


Ambtenarenwet 1929[bewerken]

Een nieuwe basis voor meer invloed van het personeel legt de ambtenarenwet van 1929. Deze wet verleent ambtenaren van het Rijk, de provincie, de gemeenten en andere overheden meer zeggenschap. Ook voor de algemene rechtspositie van de ambtenaren heeft de wet consequenties. Als uitvloeisel van de ambtenarenwet moet de gemeente Nijmegen de rechtspositie voor haar ambtenaren herzien. In de ongedrukte raadssignaten van 1939 treffen we een gedrukt boekwerkje aan dat een ontwerp algemeen ambtenarenreglement bevat van 118 artikelen. Het is een "Ontwerp van het Centraal Orgaan, vastgesteld na behandeling in het centraal overleg ingevolge de gemeenschappelijke regeling betreffende de behandeling van gemeentelijke personeelsaangelegenheden van gemeenten met 40.000 of meer inwoners." De eerste drie bepalingen van artikel 1 geven enige duidelijkheid over wie wel en wie niet tot de ambtenaren kunnen worden gerekend. Deze bepalingen luiden als volgt:

  1. Ambtenaar in den zin van deze verordening is hij, die door of vanwege de gemeente is aangesteld om in openbaren dienst werkzaam te zijn.
  2. Tot den openbaren dienst der gemeente behooren alle diensten en bedrijven door de gemeente beheerd.
  3. Niet is ambtenaar in den van deze verordening hij, met wien eene arbeidsovereenkomst naar burgerlijk recht is gesloten.[1]

Het ambtenarenreglement treedt met ingang van 1940 in werking. In 1941 maakt de bezetter een einde aan de invloed van het gemeentepersoneel. In het gemeenteblad van dat jaar wordt nog wel een verordening opgenomen die de instelling, samenstelling en de werkwijze van dienstcommissies regelt, maar blijkens een met de pen erbij geschreven notitie is die verordening "er uitgenomen"


Naoorlogse ontwikkelingen[bewerken]

Tijdens de oorlog wordt het Nederlandse ambtenarenapparaat op grote schaal ingeschakeld bij de uitvoering van door de bezetter genomen maatregelen. Een zuivering van de overheidsdiensten is na de oorlog daarom noodzakelijk. In Nijmegen worden in de maanden september oktober 1944 mensen uit overheidsdienst geschorst of gestaakt door de commissaris van het Militair Gezag in Nijmegen, majoor Blauw, conform de voorstellen van een adviescommissie die voornamelijk bestaat uit Nijmeegse gemeenteambtenaren.Vervolgens wordt op initiatief van burgemeester Hustinx informatie verzameld over het gedrag van Nijmeegse ambtenaren tijdens de bezetting. Op 9 maart 1945 wordt de 'Adviescommissie zuivering gemeentepersoneel Nijmegen' ingesteld. Zij voorziet het inmiddels opgerichte 'Centraal orgaan voor de zuivering van het overheidspersoneel' van advies inzake te nemen maatregelen tegen geschorst en gestaakt gemeentepersoneel. Over niet geschorst of gestaakt personeel wordt advies uitgebracht aan de burgemeester, die in deze lichtere gevallen een beslissing neemt. De commissie, waarin ook het verzet vertegenwoordigd is, beëindigt haar werkzaamheden in september 1946.

Maakt het gemeentelijk apparaat in de eerste helft van de 20e eeuw slechts een geringe groei door, in de daaropvolgende periode is er sprake van een aanzienlijke groei. In de tweede helft van de jaren veertig heeft de gemeente Nijmegen ongeveer 1600 mensen in dienst, begin jaren tachtig is dat ongeveer het dubbele. [2]

Als gevolg van de toenemende bevolking en een zich steeds weer uitbreidend takenpakket groeit de gemeentelijke organisatie. Na de Tweede Wereldoorlog voert de gemeente, met wisselend succes, een actiever werkgelegenheidbeleid. De bemoeienis van de gemeente met sociale zorg neemt toe. Het bevorderen van het welzijn van de burger in brede zin wordt met name vanaf de jaren zeventig een belangrijk beleidsaspect. Er komt meer aandacht voor de belangen van specifieke groepen: vrouwen, bejaarden, buitenlandse werknemers etc. Veelal zijn het andere instanties dan de gemeente die dit welzijnsbeleid daadwerkelijk uitvoeren. De gemeente verleent subsidie en is vaak via wethouder(s) en/of ambtenaren vertegenwoordigd in de besturen van die instanties. In dezelfde tijd ontstaat de vraag naar meer democratie. De burger wil meer inspraak en medezeggenschap, hetgeen invloed heeft op de wijze van werken van het gemeentelijk apparaat. Ambtenaren worden geconfronteerd met directe vragen van burgers en moeten soms zelfs uitleg geven tijdens wijkvergaderingen. Voorlichting, planning en inspraakprocedures worden belangrijk. Een moderner, meer open bestuursproces doet zijn intrede.


Voetnoten[bewerken]

  1. S.A.N., seriedelen 143, RS 1939, raadsvergadering 26 juli 1939, punt 7.
  2. S.A.N. 1331 en 5302

Bronnen[bewerken]

  • Gruppelaar, L., Lokaal bestuur en stedelijke overheid te Nijmegen, 1816-1851, Gemeentearchief Nijmegen, 1994.
  • Gruppelaar, L., Lokaal bestuur en stedelijke overheid te Nijmegen, 1851-1919, Gemeentearchief Nijmegen, 1994.
  • Gruppelaar, L., Lokaal bestuur en stedelijke overheid te Nijmegen, 1919-1945, Gemeentearchief Nijmegen, 1995.
  • Nabuurs, N., Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1945-1984, Gemeentearchief Nijmegen, 1996.

Verantwoording[bewerken]

Bewerking van de resultaten van onderzoek, gedaan in de jaren 1994-1996, naar lokaal bestuur en gemeentelijke overheid in Nijmegen door Lisette Kuijper (Regionaal Archief Nijmegen, 2010)

KENNISBANK
Verder graven in de historie van stad en omgeving
FACEBOOK
Op de hoogte blijven van het laatste nieuws van het Huis
EDUCATIE
Projecten en maatwerk voor het onderwijs
VERHALEN
Verteld verleden