header wiki – Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Gemeente Heumen (1810-1980)

Uit Huis van de Nijmeegse geschiedenis

Ga naar: navigatie, zoeken
Algemene gegevens
Naam : Gemeente Heumen (1810-1980)
Andere naam (namen):
  • Commune de Heumen et Malden (1810-1813)
  • Mairie de Heumen (1810-1813)
  • Gemeente Heumen en Malden (1814-1817)
  • Schoutambt Heumen en Malden (1818-1820)
Bestaansperiode: 1810 - 1980
Rechtsvorm: Gemeente
Voorganger(s):

Opvolger(s):

Hoger orgaan:

Archief
Het archief van deze organisatie is in beheer bij het Regionaal Archief Nijmegen. De toegang met de beschrijving van de stukken is bereikbaar via deze link:
Icoon archief.png
Naar beschrijving archief

Algemene context

In 1810 werd Gelderland in etappen geannexeerd door het Franse keizerrijk: het gebied bezuiden de Waal werd in maart officieel aangehecht, de rest volgde pas in juli. Een consequentie hiervan was dat de Waal de grens werd tussen twee nieuw gevormde departementen, in het zuiden dat van de Monden van de Rijn ('des Bouches du Rhin' vanaf 24 april 1810) met 's-Hertogenbosch als hoofdstad, in het noorden dat van de Boven-IJssel ('de l'Yssel-Supérieur' vanaf 1 januari 1811) met Arnhem als hoofdstad. Beide departementen kenden eenzelfde indeling in arrondissementen, kantons en communes (gemeenten). De departementen werden geleid door de prefect, geassisteerd door de onderprefecten die de leiding hadden over de arrondissementen. Het laagste bestuursniveau, de commune, werd geleid door de maire (burgemeester) geassisteerd door, afhankelijk van de grootte van de gemeente, één of meer 'adjoints' en geadviseerd door de 'conseil municipal' (municipale raad of gemeenteraad). De maire was zelf geen lid van deze raad. De gemeentelijke functionarissen werden benoemd door de prefect, die zelf benoemd was door de keizer. Hadden de lokale besturen vóór de invoering van de Franse wetgeving in 1811 nog taken op het terrein van de rechtspraak, vanaf 1811 waren hun taken uitsluitend nog administratief. In feite werden zij vooral geacht wetten en bevelen van hogerhand uit te voeren. Na het vertrek van de Fransen in 1814 werden er een aantal wijzigingen doorgevoerd in de organisatie van het gemeentelijk bestuur. De communes werden voortaan gemeenten en de maires burgemeesters genoemd. In gemeenten die vroeger vrije heerlijkheden waren, kreeg de heer het recht functionarissen voor benoeming voor te dragen. Uit het departement van de Boven-IJssel en stukken van het departement van de Monden van de Rijn werd de provincie Gelderland gevormd, met de Maas als zuidgrens. Hoofdstad van de provincie was Arnhem, waar de gouverneur, later aangeduid als commissaris van de koning(in), zetelde.

Voor de organisatie van het gemeentebestuur werden na het vertrek van de Fransen in 1814 reglementen opgesteld, waarbij een scherp onderscheid werd gemaakt tussen stad en platteland. Voor de plattelandsgemeenten (tussen 1818 en 1825 schoutambten genoemd) rondom Nijmegen trad per 1 januari 1818 een Gelders reglement in werking, in 1825 door een nieuw reglement vervangen. Deze reglementen voorzagen in een gemeenteraad en een college. Het college werd gevormd door de burgemeester (tussen 1818 en 1825 schout genoemd) en één of meer assessoren. De burgemeester werd door de koning benoemd, de gemeenteraad door de gedeputeerde staten en de assessoren vóór 1825 door de gedeputeerde staten en daarna door de gouverneur. De Gelderse plattelandsgemeenten onderhielden geen rechtstreeks contact met het provinciaal bestuur, maar deden dit via een bestuurlijke tussenlaag: zeventien hoofdschoutambten, die na 1825 geleidelijk werden vervangen door vijf districten.

De Grondwet van 1848 en de daarop gebaseerde Gemeentewet van 1851 maakten een einde aan de wettelijke verschillen tussen stad en platteland. Iedere gemeente kreeg drie bestuursorganen: de gemeenteraad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester. Hiervan was de gemeenteraad het belangrijkste orgaan, waaraan alle bevoegdheden met betrekking tot de regeling en het bestuur van de huishouding van de gemeente toekwam die niet wettelijk aan één van de beide andere bestuursorganen waren opgedragen. De raadsleden werden voortaan direct gekozen door stembevoegde inwoners, de gemeenteraad koos uit zijn midden de wethouders en de burgemeester werd benoemd door de koning. Alle heerlijke rechten met betrekking tot voordracht van functionarissen vervielen en de districten werden, per 1 januari 1850, afgeschaft. Verder schreef de Gemeentewet iedere gemeente een gemeentesecretaris voor, de hoogste gemeentelijke ambtenaar, die als taak had de drie bestuursorganen te ondersteunen.

Voor de bestuurlijke verhoudingen was de voornaamste ontwikkeling dat het kiesrecht gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw voor een steeds grotere groep inwoners werd opengesteld, totdat in 1917 het algemeen kiesrecht voor mannen werd ingevoerd en in 1919 ook voor vrouwen. In 1941, tijdens de Tweede Wereldoorlog, werd de Gemeentewet bij verordening van de rijkscommissaris voor het bezette Nederlandse gebied tijdelijk opgeschort; per 1 september van dat jaar werden alle gemeenteraden en colleges van burgemeester en wethouders ontbonden. Hun taken werden verenigd in de persoon van de burgemeester; de wethouders fungeerden daarbij als zijn medewerkers. De oude bestuurlijke verhoudingen werden pas in het najaar van 1945 hersteld. Na de Tweede Wereldoorlog zette zich een tendens door waarin steeds meer taken van het plaatselijk bestuur op een intergemeentelijk niveau werden geregeld via gemeenschappelijke regelingen tussen (buur)gemeenten.

Om het gemeentelijk bestuur efficiënter te maken drongen het Rijk en de provincie aan op het samengaan van gemeenten. In 1980 vond er een gemeentelijk herindeling plaats in het gebied ten zuiden van Nijmegen.

Geschiedenis

De gemeente werd opgericht in 1810. Het aantal inwoners groeide van 934 in 1811 tot 8.197 in 1979. Tussen 1810 en 1814 behoorde de gemeente tot het arrondissement Nijmegen en tussen 1818 en 1850 achtereenvolgens tot het hoofdschoutambt Rijk van Nijmegen en het district Nijmegen. Op 1 juli 1980 fuseerde de gemeente Heumen met de gemeente Overasselt tot de (nieuwe) gemeente Heumen.

Taken en activiteiten

De gemeente vervulde taken op het gebied van armenzorg, beheer van gemene middelen, belastinginning, bevolkingsregistratie, brandweer, burgerlijke stand, gezondheidszorg, jeugdzorg, milieubescherming, onderwijs, openbare orde, ruimtelijke ordening, sociale werkvoorziening, vuilophaal, welzijn. Zij voerde deze taken uit binnen het kader dat zij zelf stelde en dat van landelijk wet- en regelgeving. Een deel van deze taken voerde zij in samenwerking met buurgemeenten uit.

Locatie

-:Heumen

-1980:Malden Rijksweg 112 locatie in googlemaps

Bronnen

  • Bloemers, J.H.F. e.a., Verleden land. Archeologische opgravingen, Amsterdam 1981.
  • Brugman, Prof. H., Geschiedenis van Amsterdam, deel I: De Middeleeuwen, Utrecht / Antwerpen 1972.
  • Das Erzbistum Köln, 3e Abt. bnd. 1: Das Archidiakonat von Xanten, Germania Sacra, Berlin 1938.
  • Faber, G., De Franken (oorspronkelijke titel: Das erste Reich der Deutschen), Amsterdam / Brussel 1981.
  • Gedenkboek 700-jarig bestaan Huybergen (vergel. studie situatie Malden), Gemeente Huybergen 1964.
  • Gerrits, Wolters en Thurings, 50 jaar St. Antonius Breedeweg, Gennep 1983.
  • Gorissen, F., Stadtrecht und Bürgerbuch von Kranenburg, Kranenburg 1977.
  • Gorissen, F., Stede-atlas van Nijmegen, Arnhem 1956.
  • Gijsseling, M., Toponymisch Woordenboek voor België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland vóór 1226, Tongeren 1960.
  • Heiningen, H. van, Tussen Maas en Waal, 650 jaar geschiedenis van mensen en water, Zutphen 1971.
  • Heinze, Prof.Dr. A., Die Deutsche Familienname.
  • Holwerda, J.H., Oudheidkundige Mededelingen Rijksmuseum voor Oudheden Leiden, XLV, 1933.
  • Ilgen, Th., Quellen zur inneren Geschichten der Rheinische Territoriën, Bnd. Herzogtum Kleve; 1. Ämter und Gerichter, 2 delen, Bonn z.j.
  • Jansma, K. en Schroor, M. (eindredactie), Geschiedenis der Nederlanden, Leeuwarden [1983].
  • Jappe-Alberts, W., Geschiedenis der beide Limburgen, 2 delen, Assen 1974 / 1983.
  • Jappe-Alberts, W. e.a., Geschiedenis van Gelderland, 2 delen, Zutphen 1975.
  • Jappe-Alberts, W., Overzicht van de geschiedenis van de Nederr. Territoria tussen Maas en Rijn, 2 delen, Assen 1979.
  • Jappe-Alberts, W., Van heerlijkheid tot landsheerlijkheid, Assen/Amsterdam 1978.
  • Lacomblet, Th.J., Urkundenbuch für die Geschichte der Niederrheins I - IV, Düsseldorf 1840 -1845 (herdr. 1960).
  • Manders, H., Het Land van Maas en Waal, Zwolle 1981.
  • Nijhoff, Is.A., Gedenkwaardigheden uit de geschiedenis van Gel-derland, door onuitgegeven oorkonden opgehelderd en bevestigd, Arnhem 1833 - 1862.
  • Nijhoff-Sythoff, Woordenboek der Nederlandse Taal, Den Haag/ Leiden 1916.
  • Pirennne, H., De Middeleeuwen, Amsterdam z.j.
  • Podlech, E., Die wichtigen Stifte, Abteien und Kloster bin der alten Erdizese Köln, Breslau z.j.
  • Pons, L.J., Bodemkundige studies, Den Haag 1957.
  • Scholten, R., Das Cistercienzerinnenkloster Grafenthal oder Vallis Comitis zu Asperden, Kleve 1899, herdr.

Verantwoording

Inleiding van de toegang op het archief door Andreas Caspers. (2017)



KENNISBANK
Verder graven in de historie van stad en omgeving
FACEBOOK
Op de hoogte blijven van het laatste nieuws van het Huis
EDUCATIE
Projecten en maatwerk voor het onderwijs
VERHALEN
Verteld verleden