header wiki – Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Gemeenteraad

Uit Huis van de Nijmeegse geschiedenis

Ga naar: navigatie, zoeken

De gemeenteraad staat sinds 1851, wanneer de nieuwe gemeentewet in werking treedt, aan het hoofd van het bestuur van Nijmegen. De belangrijkste taken liggen op het gebied van benoemingsrechten, het beheren van de financiën en het aanleggen van wegen en straten. Na de Tweede Wereldoorlog hebben de katholieken de overmacht in de gemeenteraad. Elke vier jaar zijn er gemeenteraadsverkiezingen. Alle politieke partijen die actief zijn in Nijmegen, stellen kandidaten beschikbaar die raadslid willen worden. De burgemeester is de voorzitter van de raad.

Geschiedenis[bewerken]

Eerste gemeenteraad[bewerken]

Anders dan na 1851, wanneer er een duidelijke scheiding komt tussen Burgemeester en Wethouders en raad, is er in 1816 geen politiek verschil tussen raad en burgemeesteren. Er bestaat geen strikt onderscheid tussen een uitvoerend en een controlerend orgaan. De in een democratie zo belangrijke checks and balances ontbreken. De leden van de raad worden de eerste keer door de koning voor het leven aangesteld. Opengevallen plaatsen worden opgevuld door het kiescollege.

De raad telt in Nijmegen in het begin van de 19e eeuw, inclusief de drie burgemeesteren, vijftien leden. Een raadsvergadering kan pas doorgaan als een meerderheid van de leden aanwezig is. Als de raad het nodig acht, kan hij het initiatief tot een vergadering nemen. De president-burgemeester, of bij diens afwezigheid een van de andere burgemeesteren, zit de raad voor. Bij het staken der stemmen in de raad heeft hij een concluderende stem.

De raad benoemt uit een voordracht van de burgemeesteren, de stadssecretarissen en stelt voor hen een instructie op. Nijmegen heeft twee stadssecretarissen. Dit heeft te maken met de positie van Nijmegen als garnizoensstad. In de instructie voor de tweede secretaris wordt namelijk expliciet ingegaan op zijn administratieve bemoeienissen met het garnizoen. Ook komt de raad het recht toe een ander hoge ambtenaar, de stedelijke ontvanger, te benoemen.[1] Wat de andere stedelijke ambten aangaat is de regeling, dat deze beurtelings door de burgemeesteren en de raad worden vergeven. De mindere stedelijke bedieningen zijn ter begeving van de burgemeesteren [2] De betaling, het toekennen van gratificatiën en pensioenen, als ook het ontslaan van de stedelijke ambtenaren zijn taken van de raad.[3] Wel behoort de raad goedkeuring te krijgen van de Provinciale Staten. Het gaat namelijk om kosten die op de plaatselijke begroting drukken.

Kleine veranderingen 1824[bewerken]

In 1824 telt de Nijmeegse raad veertien leden. Van de raadsleden van vóór 1824 keren er drie niet in de nieuwe Nijmeegse raad terug. De taken van de raad blijven eveneens nagenoeg dezelfde. De raad vergadert onder voorzitterschap van de burgemeester die bij het staken der stemmen de beslissende stem heeft. Het maken van plaatselijke keuren en verordeningen blijft een van de in het oog springende taken van de raad. Ook houdt de raad zijn zeggenschap op financieel-economisch terrein. Daarnaast houdt hij het benoemingsrecht over een groot deel van de stedelijke ambtenaren. De financieel-economische zeggenschap blijkt onder andere uit artikel 62. Daarin is bepaald dat de raad één vergadering moet beleggen voor het einde van de maand juli en één voor eind september. In juli moet namelijk de rekening van de stedelijke ontvanger worden opgenomen en in september moet de begroting voor het komende jaar worden opgesteld. De artikelen 71 en 72 gaan in op andere terreinen waarop de raad bevoegdheden heeft. Zij vermelden expliciet de belastingheffing, de aankoop van bezittingen, het bezwaren daarvan en de vaststelling van de voorwaarden van verhuring. De aanbesteding van leveranties valt eveneens onder die uitdrukkelijk aan de raad voorbehouden bevoegdheden. Verder mag de raad in buitengewone gevallen buiten de begroting om uitgaven doen, iets wat vóór 1824 aan het college van burgemeester was voorbehouden. Wat het benoemingsrecht van de ambtenaren aangaat, kan gesteld worden dat de raad enerzijds wat rechten verliest aan de koning en burgemeesters, maar anderzijds ook rechten verkrijgt die eerst de burgemeesteren toebehoorden. Aan de koning verliest de raad het nominatierecht voor te benoemen burgemeesters en wethouders. Ook de benoeming en ontzetting van de stadssecretaris zijn nu aan de koning voorbehouden. Deze veranderingen zijn tekenend voor de steeds verder gaande politieke en administratieve centralisatie onder koning Willem I.

De raad behoudt het recht de gemeente-ontvanger te benoemen. Dat illustreert duidelijk dat de raad op financieel gebied een bestuurlijke zwaargewicht is. Voor een groot aantal van de andere benoemingen komt er een herschikking tussen burgemeester en wethouders aan de ene kant en de raad aan de andere kant. De raad krijgt het recht de zogeheten lijstambtenaren te benoemen. Deze lijstambtenaren zijn de -voornamelijk hogere- functionarissen voorkomend op een lijst die achterin bij het reglement is toegevoegd. Tenslotte krijgt de raad in 1824 de taak de bestuursleden te benoemen van de godshuizen, de gestichten van liefdadigheid en het Algemeen Armbestuur. Het behoort tot de competentie van de raad de rekeningen op te nemen van zowel de genoemde als van de overige instellingen, die van de stad Nijmegen geldelijke steun ontvangen.

Gemeentewet 1851[bewerken]

De gemeentewet van 1851 legde de grondslagen voor het moderne lokale bestuur. Onder de belangrijkste veranderingen valt het primaat van de raad, die als eerste macht van het gemeentebestuur aan het hoofd van de gemeente staat.

Woensdag 21 oktober 1851 komt de nieuwe gemeenteraad van Nijmegen voor het eerst bijeen. Het aantal raadsleden is met vijf toegenomen. Niet alleen mogen nu meer mensen kiezen, ook de kans op actieve deelname aan het lokale politieke leven is door de toename van het aantal raadsleden vergroot. De eisen verbonden aan het raadslidmaatschap zijn een minimumleeftijd van 23 jaar en het bezitten van het Nederlanderschap. Verder zijn er nog enkele gronden waarop men uitgesloten kan worden van het raadslidmaatschap.

De raad onderzoekt zelf de geloofsbrieven van zijn leden en stelt zijn eigen reglement van orde op. In de democratische geest van de wet van 1851 past het openbaar worden van de raadsvergaderingen. Indien nodig kan de raad besluiten tot het houden van vergaderingen met gesloten deuren. De raad dient minimaal zes keer per jaar bijeen te komen. Tot het houden van meer vergaderingen kunnen de raadsleden zelf het initiatief nemen. De gemeentewet bevat nieuwe bepalingen over de stemmingsprocedure in de raad. Bij het staken van de stemmen over personen bepaalt het lot, bij het staken van de stemmen over zaken wordt de zaak naar een volgende vergadering verschoven. Als dan weer de stemmen staken, dan wordt een voorstel als niet-aangenomen beschouwd. De burgemeester is voorzitter van de raad, ook als hij zelf geen raadslid is. Maar in dat laatste geval heeft hij slechts een adviserende stem, meebeslissen mag hij dan niet. De verkiezingen, nu rechtstreeks zonder kiesmannen gehouden, brengen een verschuiving te weeg die heel wat groter is dan die in 1816. Bestond de eerste raad na de Franse tijd voor ongeveer een derde uit nieuwkomers, in de raad van 1851 keert slechts de helft van de oude garde terug. De katholieken, die met twee raadsleden eerst zwaar ondervertegenwoordigd waren, worden nu met twee 'oude' en acht nieuwe katholieke raadsleden een stuk beter gerepresenteerd. Met tien van de negentien zetels halen zij net een raadsmeerderheid in Nijmegen waar de bevolking voor meer dan 70% katholiek is.

De conclusie uit het voorgaande mag luiden, dat de gemeentewet van 1851 haar positieve invloed op de democratisch samenstelling van de raad meteen in de Nijmeegse praktijk bewijst.

Taken vanaf 1851[bewerken]

Maar niet alleen qua samenstelling, ook qua bevoegdheden is de raad niet meer de oude raad. In de regeringsreglementen was bepaald dat het bestuur aan de burgemeesteren, c.q. [[college van burgemeester en wethouders was voorbehouden, behalve het bestuur over zaken die uitdrukkelijk aan de raad toebehoorden. In de gemeentewet van 1851 ligt het accent heel anders: "Aan den Raad behoort, met betrekking tot de regeling en het bestuur van de huishouding der gemeente, alle bevoegdheid, die niet bij deze of eenige andere wet aan den burgemeester, of het collegie van burgemeester en wethouder is opgedragen." [4]

Deze duidelijk andere invalshoek geeft het primaat van de raad al aan. De bevoegdheden binnen het lokaal bestuur liggen in eerste instantie nu bij de raad. In de grondwet van 1848, basis voor de latere gemeentewet, is bepaald dat de raad aan het hoofd van de gemeente staat. De grondwet voorziet zelfs geen college van burgemeester en wethouders of een burgemeester! De gemeentewet van 1851 draagt echter het dagelijks bestuur op aan het college van Burgemeester en Wethouders, dat uiteraard wel verantwoording schuldig is aan de raad. Het bestuursmonopolie van de raad is daarmee aanzienlijk ingeperkt, al blijft de suprematie gehandhaafd. De voornaamste bevoegdheden van de raad zijn:

  • het maken van plaatselijke verordeningen, die de openbare orde, zedelijkheid en gezondheid raken, alsmede het maken van andere verordeningen betreffende de huishouding van de gemeente
  • het beheren van de financiën en het beschikken over de gemeentelijke eigendommen
  • het aanleggen van gemeentewegen en -straten
  • het benoemen en ontslaan van alle gemeente-ambtenaren en bedienden, voor zover deze niet bij de gemeentewet of plaatselijke verordeningen door anderen benoemd mogen worden
  • het voeren van rechtsgedingen vanwege de gemeente

Benoemingsrechten[bewerken]

Van de hem toekomende bevoegdheden kan de raad overigens niet onbeperkt gebruik maken. De autonomie van de raad kent een aantal beperkingen die alle te maken hebben met de organische staatsopvatting waarbij de gemeenten gezien worden als delen van een groter lichaam. Het benoemingsrecht van de raad kent enkele restricties. Evenals in de periode vóór 1851 wordt de commissaris van de politie door de koning benoemd. Voor het overige krijgt de raad uitgebreidere rechten voor het benoemen van ambtenaren en ander personeel in gemeentelijke dienst. Die uitbreiding gaat vooral ten koste van het college van burgemeester en wethouders. De stadssecretaris en ontvanger, twee functionarissen op sleutelposities, blijft de raad ook na 1851 benoemen.

Katholieke overwinning[bewerken]

Kort samengevat betekent 1919 de triomf van de katholieke petit bourgeoisie als gevolg van de invoering van het nieuwe kiesrechtstelsel. Deze overwinning gaat ten koste van de protestantse elite en van de liberaal-katholieke bovenklasse die de periode 1851-1917 het politieke leven te Nijmegen gedomineerd hebben. Bovendien leidt de verkiezingsuitslag van 1919 ertoe dat de socialisten de op een na grootste partij in de raad worden. De politieke situatie te Nijmegen is kernachtig getypeerd als 'rooms triomfalisme naast rode berusting'. De katholieken drukken een stempel op de raad en op de Nijmeegse samenleving. Vooral de uitbouw van de katholieke zuil krijgt tijdens het interbellum duidelijke vormen. Gesteund door nationale wetgeving, zoals de financiële gelijkstelling van het bijzonder met het openbaar onderwijs in 1920, en geholpen met subsidies uit de gemeentekas neemt het aantal katholieke instellingen en organisaties toe. In het onderwijs gaat dat ten koste van het aantal openbare scholen.

De verkiezingen van 1919 zorgen niet alleen voor een andere politieke samenstelling van de raad. Ook komt er een ander slag lokale volksvertegenwoordigers in de Nederlandse gemeenteraden. Leemans verwoordt het aldus: "Terwijl in de 19de eeuw de raadsleden voornamelijk werden gerecruteerd uit de meest gezaghebbende en rijkste families, die een relatief grote kennis hadden van de zaken waarover in de raad werd gepraat, werden de nieuw gekozenen door deze groep beschouwd niet als behartigers van het algemeen belang doch van een groepsbelang. Dit werd vooral geaccentueerd doordat in de raden ook vrijgestelden zoals vakverenigings- en partijfunctionarissen zitting kregen, die in sterke mate gebonden waren aan het partij- of vakverenigingsbeleid." [5]

Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Na de capitulatie op 15 mei 1940 verandert er voor het lokaal bestuur aanvankelijk weinig. De bezetter laat de gemeenteraden en de colleges van B. en W. voortbestaan. Wel wordt de verhouding met de centrale overheid een bijzondere doordat de regering haar zetel verplaatst heeft naar Londen. Het regeringsgezag komt te liggen bij de secretarissengeneraal van de diverse departementen. Deze top-ambtenaren worden in feite nu de ministers, " zij het zonder verkeer met de Kroon en het Parlement ..."[6]

Een verordening die grote consequenties heeft voor het gemeentebestuur is de verordening van 10 augustus 1941. Daarin wordt onder andere bepaald dat per 1 september 1941 de werkzaamheden van de gemeenteraad en de colleges van B. en W. moeten rusten. Tevens worden, krachtens dezelfde verordening, de werkzaamheden van de gemeentelijke commissies opgeschort, een maatregel die per 28 september 1941 van kracht wordt.[7]De taken van de opgeheven gemeentelijke organen worden waargenomen door de burgemeester. In de praktijk blijkt het gevolg van de verordening wèl het einde van de gemeenteraden, maar niet van de colleges van B. en W.. Daartoe aangezet door Frederiks blijven de burgemeesters met hun wethouders vergaderen, ook te Nijmegen. De komst van NSB burgemeester Van Lokhorst in 1943 betekent het einde van die praktijk. Nog enkel maanden vinden vergaderingen van het college plaats, waarna de NSB-burgemeester op een nieuwe wijze de gemeente gaat besturen.

Van Lokhorst beschouwt zich als een lokale alleenheerser. Een conflict tussen hem en de hoofden en directeuren leidt tot het ontslag van de ambtelijke top. Lageren in de hiërarchie èn door Van Lokhorst benoemde 'kameraden' nemen de plaatsen van de ontslagenen in. De wethouders, op wethouder Van der Velden na, worden in de loop van 1943 ontslagen en vervangen door NSB-ers. In februari hadden zij allen ontslag aangevraagd. Het verzoek van Van der Velden wordt overigens pas in 1944 ingewilligd. Vanaf 1 februari 1944 heeft Nijmegen alleen nog NSB-wethouders.

Naoorlogse ontwikkelingen[bewerken]

In Nijmegen worden de eerste naoorlogse gemeenteraadsverkiezingen gehouden op 27 september 1946. Tot die tijd fungeert de noodgemeenteraad, die op 27 november 1945 voor het eerst in vergadering bijeenkomt. De 37 leden zijn gekozen door en uit een kiescollege van 111 personen, samengesteld door de burgemeester en vijf vertrouwensmannen, welke de belangrijkste geledingen van de Nijmeegse samenleving vertegenwoordigen (de katholieke werkgevers, de katholieke arbeiders, de katholieke middenstand, de protestants-christelijke bevolkingsgroep en de sociaaldemocraten). De noodraad telt 24 katholieken, 8 sociaal-democraten, 3 protestanten, 1 vrijzinnig-democraat en 1 liberaal. De samenstelling van de raad komt overeen met de samenstelling van de laatst gekozen vooroorlogse raad.

De eerste democratisch gekozen gemeenteraad van na de oorlog treedt aan op 25 oktober 1946. Voor het eerst sinds 1919 verschijnen er weer communisten in de gemeenteraad. Als gevolg van de toegenomen bevolking telt de raad nu 39 leden. De fractiesterkte van de katholieken en de sociaal-democraten wijkt nauwelijks af van die van voor de oorlog. Ook nu beschikken de katholieken over een zeer royale meerderheid. Principiële politieke tegenstellingen tussen de twee belangrijkste partijen worden in het algemeen echter ondergeschikt gemaakt aan het idee van 'samen de schouders eronder'. In de jaren zestig begint het aantal KVP-zetels terug te lopen, niet ten gunste van de Partij van de Arbeid (al wordt het verschil in zeteltal tussen de twee fracties langzamerhand kleiner), maar als gevolg van de opkomst van een aantal nieuwe partijen. Meer dan in de rest van het land wordt in Nijmegen op de Boerenpartij gestemd. Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1966 behalen zij 14,4% van de stemmen. Het vertrouwen in de plaatselijke politiek bereikt een dieptepunt als bij de raadsverkiezingen van 1970 slechts 50% van de kiesgerechtigden komt opdagen. In hetzelfde jaar verliest de KVP haar absolute meerderheid. Het samengaan van de christelijke partijen in het CDA maakt geen einde aan het dalend zeteltal van de confessionele partijen. Als gevolg van de groei van de kleine linkse partijen blijft ook de winst voor de PvdA beperkt.

In de jaren zestig en zeventig verschijnen er gemeentewetten die ingrijpende veranderingen tot gevolg hebben voor de raadscommissies.

Dualisering gemeentebestuur[bewerken]

Als gevolg van de Wet Dualisering Gemeentebestuur maken wethouders vanaf maart 2002 geen deel meer uit van de gemeenteraad. Na het aantreden van de wethouders worden vervangende leden tot de raad toegelaten.

Samenstelling sinds 1990[bewerken]

Vanaf 1990 is de zetelverdeling in de Nijmeegse gemeenteraad na de verkiezingen als volgt:

Partij 1990 1994 1998 2002 2006 2010 2014
CDA 12 9 7 5 5 3 2
PvdA 11 8 8 8 11 8 4
VVD 3 4 5 4 4 4 4
SP 2 4 6 6 7 5 8
GroenLinks 6 6 8 9 6 8 8
D66 5 7 2 1 2 6 7
De Groenen - 1 2 - - - -
VSP - - 1 2 1 2 2
Nijmegen Nu / Stadspartij Nijmegen Nu! - - - 1 1 1 -
Stadspartij Nijmegen - - - 3 1 - -
Gewoon Nijmegen - - - - 1 2 2
De Nijmeegse Fractie - - - - - - 2
Totaal 39 39 39 39 39 39 39

Zie voor de oudere uitslagen en wijzigingen in de raad de artikelen per verkiezing in de categorie: 2.3 Verkiezingen.

Voetnoten[bewerken]

  1. Raadssignaten, 1816, 22. r.,
  2. Artikel 27 van het reglement, Raadssignaten 1816, f 4, r.
  3. Artikel 26, raadssignaten 1816, f. 3 v., e.v.
  4. Gedenkboek ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van de gemeentewet uitgegeven door de vereniging van Nederlandse gemeenten, 's-Gravenhage 1951, p. 401.
  5. Leemans, A.F., De eenheid in het bestuur der grote stad, 's-Gravenhage 1967, p. 20, 21.
  6. Oud, P.J., Honderd jaren. Een eeuw van staatkundige vormgeving in Nederland 1840- 1940. Bewerkt en voor de periode na 1940 aangevuld door J. Bosmans, Assen 1982, p. 296.
  7. Beijer. A.B.M., Gemeentelijk beleid in bezettingstijd, Nijmegen 1940-1944. Reakties van bestuur en ambtelijk apparaat op enige maatregelen van de bezetter, (scriptie GAN 1982), pp. 21-22.

Bronnen en verwijzingen[bewerken]

  • Gruppelaar, L., 'Lokaal bestuur en stedelijke overheid te Nijmegen, 1816-1851', Gemeentearchief Nijmegen, 1994.
  • Gruppelaar, L., ‘Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1851-1919’, Gemeentearchief Nijmegen, 1994.
  • Gruppelaar, L., ‘Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1919-1945’, Gemeentearchief Nijmegen, 1995.
  • Nabuurs, N., ‘Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1945-1984’, Gemeentearchief Nijmegen, 1996.
  • Nijmeegse gemeenteraad op de internetpagina van de gemeente
  • Artikel dualisering gemeentebestuur in Wikipedia

Verantwoording[bewerken]

Bewerking van de resultaten van onderzoek, gedaan in de jaren 1994-1996, naar lokaal bestuur en gemeentelijke overheid in Nijmegen door Lisette Kuijper (Regionaal Archief Nijmegen, 2010)


KENNISBANK
Verder graven in de historie van stad en omgeving
FACEBOOK
Op de hoogte blijven van het laatste nieuws van het Huis
EDUCATIE
Projecten en maatwerk voor het onderwijs
VERHALEN
Verteld verleden