header wiki – Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Huurcommissie Nijmegen

Uit Huis van de Nijmeegse geschiedenis

Ga naar: navigatie, zoeken
Algemene gegevens
Naam : Huurcommissie Nijmegen
Andere naam (namen):

Bestaansperiode: 1917 - 1925
Rechtsvorm:
Voorganger(s):

Opvolger(s):

Hoger orgaan:

Archief
Het archief van deze organisatie is in beheer bij het Regionaal Archief Nijmegen. De toegang met de beschrijving van de stukken is bereikbaar via deze link:
Icoon archief.png
Naar beschrijving archief

Algemene context

In Nederland heerste er kort vóór, tijdens en na de eerste wereldoorlog, een algehele woningmalaise. Deze was veroorzaakt door een grote achterstand in de bouw, die al bestond aan het begin van de twintigste eeuw, en die direct het gevolg was van enorme stijgingen in de bouwkosten ten gevolge van de wereldoorlog.
In direct verband met deze woningnood stond het huurprobleem. De huren waren te hoog voor de meestal slechte woonruimten. Daardoor bezaten huizenbezitters een ongemeen grote macht. Om deze te doorbreken, en de huurprijzen enigszins in banen te leiden, kwam er een noodwetgeving tot stand, die naast het bouwen van noodwoningen, vooral de zogenaamde Huurwetten met zich meebracht.
Van groot belang was vooral de Huurcommissiewet van 26 Maart 1917 (Stbl. 257), welke de gemeenten in staat stelde commissies in te stellen, die tot taak hadden "onnodige opdrijving van de huurprijzen" tegen te gaan. Aanvankelijk gold dat alleen voor woningen van lagere huurwaarde. Als basis nam men een fictieve huurprijs, namelijk die van 1 Januari 1916. Op het moment van instelling van een huurcommissie in een bepaalde gemeente moest iedere huurprijs die hoger lag dan de op 1 Januari 1916 betaalde huursom, ter goedkeuring aan die commissie worden voorgedragen.

Al spoedig bleek dat met de Huurcommissiewet van 1917 niet alle problemen opgelost konden worden. De huurcommissies waren niet competent om de onttrekking van de bestemming van gebouwen tegen te gaan. Men kon de huur opzeggen en de woonruimte inrichten als bedrijfsruimte, zonder dat men dit diende te verantwoorden. Gezien de heersende omstandigheden waren dergelijke praktijken ontoelaatbaar.
Het ingrijpen van de wetgever heette de Huuropzeggingswet van 25 Maart 1918 (Stbl. 182). De huurcommissies verkregen de bevoegdheid de huurtermijn, indien de huur zou worden opgezegd, met maximaal zes maanden te verlengen. Bovendien werd het werkterrein van de commissies uitgebreid tot alle woningen, en wel analoog aan de Huurcommissiewet, gebonden aan de huurprijs van 1 Januari 1918.
Zo ontstonden er dus twee categorieën van woningen waarvan de huurwaarde ter goedkeuring moest worden voorgelegd aan de huurcommissies, te weten de woningen van lagere huurwaarde (veelal weekwoningen genoemd) en alle andere woningen, waarvan de huurprijs gefixeerd werd op de huurwaarde van respectievelijk 1 januari 1916 en 1 januari 1918.
Daarmee echter had men nog lang niet alle problemen het hoofd geboden. Zo waren er tal van huizen die leeg stonden - en dat in een tijd waarin gezinnen vaak bivakkeerden in kippenschuren. Meestal waren dat huizen die de eigenaar wel wenste te verkopen, doch niet te verhuren. De regering vatte dit probleem aan met de Huuraanzeggingswet van 19 Februari 1921 (Stbl. 70). De commissies werden bevoegd eigenaren van leeg staande percelen op te roepen en hen een termijn aan te zeggen, waarbinnen de percelen verhuurd dienden te worden. In samenwerking met de gemeente en het kantongerecht waren de commissies in staat verhuring af te dwingen.
Hiermee was de huurnoodwetgeving gesloten. Immers voor ieder huis mocht slechts een bepaalde maximale huurprijs worden afgedongen, terwijl daarnaast waarborgen bestonden bij huuropzeggingen (waarvan de huurders veelvuldig gebruik maakten), en kon bovendien verhuring van ledig staande percelen worden afgedwongen.
Het moet benadrukt worden dat deze wettelijke regelingen van tijdelijke aard waren, en wel waren voortgekomen uit een zeer nijpende nood. Rond 1920 reeds begon men zich ongerust te maken over de lage huurprijzen van de oude woningen (deze waren immers gefixeerd), die, na beëindiging van de noodwetgeving, in geen vergelijk zouden staan met die van nieuwe huizen. Door de stijging van de bouwkosten zouden de huurprijzen van nieuwe woningen aanmerkelijk hoger liggen dan van de oude. Men kwam dan ook tot een geleidelijke optrekking van het prijspeil. In 1923 mocht men huurverhogingen toestaan van 50 % voor huizen met als basis 1 januari 1916, en 37½% voor de andere woningen. Men hield echter wel vast aan de eis dat die verhogingen goedgekeurd dienden te worden door de huurcommissies.

Geschiedenis

In Nijmegen werd al op 18 Juni 1917 een huurcommissie ingesteld. Bij het Koninklijk Besluit van 26 Mei 1917 (Stbl. 444) werd de mogelijkheid aan gemeenten geopend, in het kader van de huurcommissiewet, huurcommissies in te stellen. Nijmegen was daarmee bijzonder snel, tekenend wellicht voor de grote nood ter stede. Zoals omschreven was in de Huurcommissiewet, werden de kosten door de commissie gemaakt in de uitoefening van de haar opgedragen taak, voor 50 % gedragen door de Gemeente Nijmegen, en voor 50% door het Rijk.

Taken en activiteiten

Tegengaan van onnodige opdrijving van de huurprijzen

Organisatie

De huurcommissie te Nijmegen bestond uit twee afzonderlijke kamers. Het secretariaat verdeelde de binnengekomen stukken (verzoeken) naar evenredigheid over de beide kamers. In bijzondere gevallen, en na 1921 in gevallen van huuraanzeggingen, kwamen beide kamers tezamen om "in pleno" te vergaderen. Bovendien werd er eens in de vier weken gecombineerd vergaderd. Van al deze vergaderingen zijn notulenboeken bijgehouden.
De structuur van de huurcommissie was als volgt: zij werd voorgegaan door een voorzitter, en een secretaris, die beiden plaatsvervangers hadden. Voorts waren er drie leden, die op hun beurt plaatsvervangers hadden. Totaal dus vijf leden, en vijf, in het Nijmeegse geval zes plaatsvervangende leden, van wie er één tweede plaatsvervangend voorzitter was.
De leden, en plaatsvervangende leden waren als volgt verdeeld: één lid, en één plaatsvervanger kwam op voor de belangen van de huurders, evenzo één lid, en zijn plaatsvervanger voor de belangen van de verhuurders, en vervolgens één neutraal lid, en plaatsvervanger.
Dit was de samenstelling van de huurcommissie als organisch geheel, als bestuurlijke eenheid. Als zodanig kende de huurcommissie dan ook een eigen, specifieke administratie.
Daarnaast, passend in dat geheel, vond de splitsing in kamers plaats. Daarbij deelde men de voorzitter, de secretaris en de leden in bij kamer I, en de plaatsvervangers bij kamer II. Ook dit leverde een administratie op, in het kader van de totale commissie. (zie hieronder).
De secretaris had naast zijn strikte functie in kamer I, de dagelijkse leiding over de totale administratie van de huurcommissie, terwijl de plaatsvervangend secretaris hem daarbij assisteerde, doch zich in hoofdzaak bepertkte tot het bijhouden van de notulenboeken van kamer II.
Alle binnengekomen stukken werden door de secretaris administratief behandeld in zijn functie als secretaris van de huurcommissie. Zijn persoon zou juridisch verwarring kunnen wekken. Immers hij had drie volledige functies, te weten:
a) hij was secretaris van de huurcommissie in haar gecombineerde vergaderingen;
b) hij was secretaris van Kamer I van de huurcommissie;
c) hij had de administratieve verantwoording van alle stukken. In de uitoefening van deze taak werd hij bijgestaan door een chef de bureau en een aantal klerken.
De plaatsvervangend secretaris verving hem bij ontstentenis in die functies, behalve in functie b), daar de plaatsvervangend secretaris een identieke functie vervulde bij kamer II, en de kamers in hun behandelingsprocedures autonoom waren.

Zoals in het bovenstaande reeds werd vermeld, voerden klerken de administratie van de huurcommissie onder leiding van de secretaris. Een instructie aan de secretaris is vervat in artikel 51 lid 3 van het Koninklijk Besluit van 26 Mei 1917 (Stbl. 444). Naast bovenvermelde taken heeft de secretaris het toezicht op de administratie. Het artikel geeft een nadere uitwerking van die taak, die er voor de nijmeegse commissie op neer komt:
- dat er voor ieder ingekomen request negen stukken worden opgemaakt, te weten:
a) een proces-verbaal van het op vergadering behandelde;
b) een extract uit het notulenregister, hetgeen gehecht werd aan het ingekomen request;
c) een tweetal afschriften van het request, zowel voor de huurder als de verhuurder;
d) een tweetal afschriften van de beslissing, zowel voor de huurder als de verhuurder;
e) afschriften van de laatste vier stukken als uitgaande stukken voor het archief.
Alle voor het archief bedoelde stukken worden in een perceeldossier (de benaming is ruim gekozen) opgeborgen, en staan vermeld in het stratenregister. Zij kregen een volgnummer naar de volgorde waarin het request werd behandeld.
- dat er een register werd bijgehouden van alle ingekomen en uitgaande stukken;
- dat er registers werden bijgehouden van gedane schattingen, van toegestane huurverhogingen, huuraanzeggingen, alle hoger beroepzaken;
- dat beslissingen uit de notulenboeken werden geconcipieerd;
- dat er voorts register werd gehouden van alle verzonden oproepingskaarten, alle gewone correspondentie over de in behandeling genomen zaken;
- dat er een kasboek werd bijgehouden;
- dat er een overzicht kwam aan de hand van de presentielijsten ter vergadering, voor uitbetaling van de vacatiegelden aan de leden.
Daarnaast bestaan er notulenboeken van alle vergaderingen, zowel van beide kamers afzonderlijk, als van de vergaderingen "in pleno".

Locatie

-: Nijmegen

Verantwoording

Inleiding van de toegang op het archief door T. de Mol. (1991)



KENNISBANK
Verder graven in de historie van stad en omgeving
FACEBOOK
Op de hoogte blijven van het laatste nieuws van het Huis
EDUCATIE
Projecten en maatwerk voor het onderwijs
VERHALEN
Verteld verleden