header wiki – Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Kinderdorp Neerbosch

Uit Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Ga naar: navigatie, zoeken
Algemene gegevens
Naam : Kinderdorp Neerbosch
Andere naam (namen):
  • Weesinrichting Neerbosch (1863-1963)
  • Kinderdorp Neerbosch (1963-1993)
  • Lindenhout (1995-1998)

Bestaansperiode: 1863 - 2001
Rechtsvorm: Stichting
Voorganger(s):

Opvolger(s):

Hoger orgaan:

Archief

Vindplaats archief:

Het archief van Kinderdorp Neerbosch is ondergebracht in het Van 't Lindenhoutmuseum

Algemene context

Ouderloze kinderen voor wie geen plaats was in de bestaande weeshuizen werden midden negentiende eeuw nog publiekelijk uitbesteed. Bijbelverkoper en evangelist Johannes van ‘t Lindenhout vergeleek dat systeem met het verhandelen van slaven in de Verenigde Staten. De situatie waarin deze kinderen vaak belandden – zij werden veelal gebruikt als goedkope werkkrachten – gaf hem de overtuiging dat weeshuizen de voorkeur verdienden boven opvang in gezinnen. In 1863 besloten Van 't Lindenhout en zijn vrouw Hendrina Sipman om in Nijmegen een weeshuis te stichten. Dat werd tot omstreeks 1905 geheel gefinancierd door giften van barmhartige protestanten. Dit was mogelijk door de toen heersende Gereformeerde Revéilbeweging, die onder andere maatschappelijke bewogenheid en armenzorg predikte. Aanvankelijk werd het weeshuis gevestigd in een voormalige herberg aan de Lange Brouwerstraat. In 1866 bleek de eindeloze aanvoer van wezen uit heel Nederland te groot voor deze vestiging in Nijmegen, waarna een alternatieve locatie werd gevonden in de polders bij Neerbosch.

Geschiedenis

Het allereerste gebouw op het Neerbossche terrein werd geopend in 1867. Tussen 1867 en 1903 verrees daarna een semi-zelfvoorzienend wezendorp met werkplaatsen, scholen, een kapel, een boerderij, een ziekenhuis en een eigen drukkerij en uitgeverij. Deze gebouwen werden bijna allemaal gebouwd door de weeskinderen zelf, onder leiding van de leermeesters. Zowel jongens als meisjes kregen aan de instelling onderwijs; de jongens werd een praktisch vak aangeleerd in een van de werkplaatsen, terwijl de meisjes werden klaargestoomd voor het bestaan als moeder of werkmeid. Hiermee werden de kinderen voorbereid op hun ‘bescheiden’, traditionele rol in de Nederlandse standenmaatschappij.

Op haar top (omstreeks 1893) droeg de instelling zorg voor bijna duizend kinderen. Hierna werd de weesinrichting getroffen door een landelijk mediaschandaal. Van ’t Lindenhout werd ervan beschuldigd zichzelf te hebben verrijkt met giften en in de instelling zelf zou sprake zijn van mishandelingen, verwaarlozingen en algehele slechte omstandigheden. In 1894 werd een staatscommissie in het leven geroepen om de aantijgingen te bestuderen. Deze commissie sprak zowel Van ’t Lindenhout als de instelling vrij van de aanklachten, maar onder invloed van de landelijke controverses en de aanbevelingen van de commissie zou het aantal nieuwe pupillen tot 1905 gestaag afnemen. Uiteindelijk stabiliseerde het aantal kinderen zich tot omstreeks vijfhonderd, welk inwoneraantal tot de jaren zestig werd gehandhaafd.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Neerbosch grotendeels gespaard van het oorlogsgeweld. Wel was het kinderdorp in 1944-1945 de uitvalsbasis voor ongeveer vijfhonderd geallieerde soldaten. Daarnaast werden er bijna vierhonderd gedupeerden van de Nijmeegse bombardementen tijdelijk ondergebracht in de instelling.

Vanaf de jaren zestig van de twintigste eeuw kwam er een moderniseringsgolf op gang. Een groot gedeelte van de oorspronkelijke gebouwen maakte plaats voor nieuwbouw. Ook de nog overgebleven werkplaatsen gingen – met name vanaf de late jaren zeventig – tegen de vlakte, aangezien de praktische opleidingen nauwelijks nog werden gevolgd. Alleen de Weezenkapel en een rijtje huizen werden gespaard.

De moderniseringsgolf kreeg in de late jaren zeventig en jaren tachtig echter een klap door de economische crisis die toen heerste. Het aantal uithuisplaatsingen liep terug en er kwam minder overheidssubsidie binnen. Hierdoor werd de directie gedwongen tot ontslagen en saneringen, met veel onduidelijkheid en inconsistentie van beleid als gevolg. Ook was er sprake van een ‘losse’ organisatiecultuur, met veel vermenging tussen privé- en werksfeer. Deze chaos droeg mede bij aan een zwarte bladzijde in de Neerbossche geschiedenis, namelijk de bewezen seksuele misbruikpraktijken tussen 1975 en 1985, die met name de toenmalige directeur betrof. In 1989 werd de Wet op de Jeugdhulpverlening aangenomen. Regionale samenwerking tussen jeugdinstellingen werd hiermee officieel staatsbeleid. Het gevolg was vele fusies van Gelderse jeugdinstanties – waaronder ook Neerbosch – tussen 1992 en 1999. Deze fusies leiden tussen 1994 en 1997 echter tot nieuwe geldproblemen, inconsistentie in beleid en inadequate opvang van jongeren met gedragsstoornissen of mentale beperkingen. Daarom maakte de directie in 1999 aanstalten tot het sluiten van Neerbosch als zorginstelling. In 2001 werd de instelling te Neerbosch permanent opgedoekt. In de kapel is nu het Van ‘t Lindenhoutmuseum gevestigd, dat de geschiedenis van het kinderdorp vertelt. Ook bevindt zich hier het archief van de instelling.

Taken en activiteiten

De belangrijkste taak van de instelling was in eerste instantie de opvang van arme wezen die geen tehuis hadden. Daarnaast zagen Van ’t Lindenhout en diens opvolgers het als hun taak om kinderen voor te bereiden op hun bescheiden plaats in de Nederlandse standenmaatschappij. Hierbij hoorde een gedegen, eenvoudige opvoeding met een protestants karakter. Zodoende waren er basisopleidingen voor praktische beroepen. Jongens konden bijvoorbeeld boer, timmerman, metaalbewerker of letterzetter worden, terwijl voor meisjes vrijwel altijd een betrekking als werkmeid werd gezocht.

De doelstellingen van de instellingen zouden echter in de twintigste eeuw geleidelijk veranderen. Zo werden vanaf 1905 Kinderwetten geïntroduceerd, waardoor de staat (mede) verantwoordelijk werd voor de financiële zorg van wezen en hulpbehoevende kinderen. Mede hierdoor – maar ook door het verdwijnen van de Revéilbeweging en een afname in het aantal weeskinderen – verlegde de focus van de ‘Weesinrichting Neerbosch’ zich langzaam van weeskinderen naar zogenoemde ‘voogdijkinderen’: kinderen die door de staat uit huis werden geplaatst voor hun eigen bestwil. De opvoeding die zij op Neerbosch genoten bleef echter grotendeels ‘traditioneel’ en sober, al zouden met name vanaf de jaren dertig meer vrijetijdsbestedingen als sport worden toegevoegd aan het curriculum.

Na de Tweede Wereldoorlog veranderde de opvoedingsmethodiek drastisch. Onder invloed van de Ontzuiling vanaf de jaren zestig verdween de standenmaatschappij en door de groeiende welvaart en verbeterde levensstandaard waren wezen een zeldzaamheid geworden. Daarnaast ontstond er een professionaliseringsgolf in de jeugdzorg vanaf de late jaren vijftig. Kinderen werden hierna persoonlijker benaderd, met aandacht voor psychologische en opvoedkundige problemen. De doelgroep verschoof in de jeugdzorg van ‘wezen en ontheemden’ (die er feitelijk niet meer waren) naar problematische kinderen – veelal met gedragsstoornissen – uit moeilijke gezinssituaties. Ook op Neerbosch kwam deze verschuiving er, met als gevolg een schaalverkleining in het aantal kinderen en de introductie van gespecialiseerde opleidingen en werknemers als psychologen en psychiaters.

Organisatie

Tot medio jaren zeventig was het kinderdorp een sterk hiërarchische instelling die werd bestuurd door de directie. Deze bestond uit een directeur en een adjunct-directeur, met daarboven het bestuur. Tezamen maakten zij beslissingen over het beleid en de dagelijkse gang van zaken. Daarnaast was er een Algemene Ledenvergadering bestaande uit oud-bestuursleden en oud-directeuren. Deze vergaderde tweemaal per jaar over ingrijpende financiële en organisatorische kwesties. De Algemene Ledenvergadering stond in theorie boven het bestuur en de directie, maar had weinig van doen met de dagelijkse gang van zaken. Vanaf medio jaren zeventig werd Neerbosch minder hiërarchisch en had de directie meer contact met medewerkers en pupillen. Ook werden medezeggenschapsraden en groepsraden opgericht voor medewerkers en pupillen, waarmee een democratischer organisatiestructuur werd geïntroduceerd.

Naast het bestuur waren er doorlopende de decennia verscheidene personeelslagen. Vanaf de oprichting tot en met de Tweede Wereldoorlog bestond het gros van het personeel uit pedagogisch ongeschoolde arbeiders en vaklui. Meisjes kregen huishoudelijke lessen van vrouwelijke personeelsleden, terwijl jongens in een praktisch vak werden onderwezen door mannelijke vaklui. Hoewel de instelling gemengd was (bestaande uit zowel jongens als meisjes), bleef het gros van de sociale interacties beperkt tot het eigen geslacht.

In 1947 werd in geheel Nederland het zogenaamde A-diploma Kinderbescherming geïntroduceerd, dat was bedoeld als tweejarige basiscursus. Daarnaast konden personeelsleden ook nog de aanvullende B cursus volgen. Ook op Neerbosch werden deze cursussen aangeboden, waarna de professionaliseringsgraad toenam. In de jaren vijftig werden bovendien voor het eerst gemengde familiegroepen geïntroduceerd, waarmee de scheiding tussen de seksen langzaamaan verdween. Vanaf de jaren zestig kwamen naast de nieuwe lichting geschoolde personeelsleden ook nieuwe beroepsgroepen op Neerbosch, waaronder psychologen, psychiaters, specialistische (sport)onderwijzers en andere pedagogisch geschoolden. Tezamen vormden zij een netwerk aan professionals die verantwoordelijk waren voor het (psychisch) welzijn van de kinderen te Neerbosch.

Locatie

1863-1867:Nijmegen Lange Brouwerstraat D 534 locatie in googlemaps

1867-2001:Neerbosch/Nijmegen Scherpenkampweg 58 locatie in googlemaps

Bronnen

  • Brauer, J. en H. Termeer, Kinderen, oorlog en bevrijders: Weesinrichting Neerbosch 1940-19405, Neerbosch, 2014.
  • Kluin, H., Gezegend werk. De weesinrichting te Neerbosch vroeger en nu, Neerbosch, 1948.
  • Lieshout, M. van, ‘1945 Beroepsopleidingen: Gestage professionalisering van jeugdzorgmedewerkers’, Canon Zorg voor de Jeugd Nederland
  • Lünnemann, K., L. Drost en M. van der Klein, Neerbosch, leren van het verleden. Seksueel misbruik op het Kinderdorp 1975-1985, Utrecht, 2013.
  • Jaarverslagen, 1929-2003.
  • Het Oosten; wekelijksch orgaan der Weesinrichting te Neerbosch, 1876-1960.
  • Renssen, A. van, Bewogen door kinderen. Een pedagogische geschiedenis, Lindenhout/Arnhem, 2013.
  • Renssen, A. van, Het wezendorp Neerbosch. De protestants-christelijke weesinrichting Neerbosch en haar stichter Johannes van ’t Lindenhout (1863-1903), Nijkerk, 2015.
  • Stolk, C.J., Neerbosch en… de 20.000 kinderen van Johannes van ’t Lindenhout, Hillegom, 1988.
  • Van ’t Lindenhoutmuseum-archief, 1863-heden.
  • Vries, Jac. S. de en K. Wessels, Wording en groei van de weesinrichting Neerbosch 1867-1942, Neerbosch, 1942.
  • Weezen-Almanak, 1875-1941.
  • Wyt, M., en zonen, Verslag van de commissie van onderzoek in zake de weesinrichting te Neerbosch, Rotterdam, 1894.

Verantwoording

Inleiding van de toegang op het archief door Bob Hermkens. (2017)


KENNISBANK
Verder graven in de historie van stad en omgeving
FACEBOOK
Op de hoogte blijven van het laatste nieuws van het Huis
EDUCATIE
Projecten en maatwerk voor het onderwijs
VERHALEN
Verteld verleden