header wiki – Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Nederlands Katholiek Vakverbond, afdeling Balgoij

Uit Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Ga naar: navigatie, zoeken
Algemene gegevens
Naam : Nederlands Katholiek Vakverbond, afdeling Balgoij
Andere naam (namen):
  • Nederlandse Katholieke Arbeidersbeweging, afdeling Balgoij
  • KAB Balgoij
  • NKV Balgoij

Bestaansperiode: 1957 - 1979
Rechtsvorm: Vereniging
Voorganger(s):

Opvolger(s):

Hoger orgaan:

Archief
Het archief van deze organisatie is in beheer bij het Regionaal Archief Nijmegen. De toegang met de beschrijving van de stukken is bereikbaar via deze link:
Icoon archief.png
Naar beschrijving archief

Algemene context

De katholieke sociale leer, gebaseerd op de pauselijke encyclieken Rerum Novarum (1891) en Quadragesimo Anno (1931), verdeelde de maatschappij in de volgende standen: boeren, handarbeiders, hoofdarbeiders, middenstanders (kleine zelfstandigen) en patroons (werkgevers). Verschillende modernistische stromingen, waaronder het liberalisme en het socialisme, probeerden deze standen tegen elkaar op te zetten en zaaiden daarmee tweedracht in de maatschappij. De katholieken dienden dit tegen te gaan door per stand organisaties op te richten, die, onder hoede van de geestelijkheid, met elkaar moesten overleggen over de sociaaleconomische ordening van de maatschappij. De verenigingen voor de katholieke handarbeider die binnen dit kader ontstonden vormden het begin van de katholieke vakbeweging. Op landelijke niveau verenigde een deel hiervan zich in 1906 tot de Federatie van R.K. Volks- en Werkliedenbonden, een ander deel in 1909 tot het R.K. Vakbureau. De bisschoppen, die geen concurrentie tussen beide organisaties wensten, dwongen de Federatie en het Vakbureau in 1925 te fuseren tot het R.K. Werkliedenverbond (RKWV), dat voortaan optrad als de belangenbehartiger van alle katholieke verenigingen voor handarbeiders. In 1941, vlak voordat het op last van de bezetter werd opgeheven, vertegenwoordigde het RKWV een kwart van de georganiseerde arbeiders in Nederland. Het RKWV werd in 1945 heropgericht, maar kreeg nog in hetzelfde jaar een nieuwe naam: Nederlandse Katholieke Arbeidersbeweging (KAB). De KAB vertegenwoordigde op haar hoogtepunt, rond 1960, zo'n dertig procent van de georganiseerde arbeiders. Zij onderhield toen nog warme betrekkingen met zowel de kerk als de Katholieke Volkspartij, maar van beide organisaties nam zij in de loop van de jaren zestig steeds verder afstand. In deze periode brak de KAB, die in 1964 haar naam wijzigde in Nederlands Katholiek Vakverbond (NKV), met het standsdenken. Het NKV afficheerde zich als een centrale van vakbonden voor alle werknemers en niet alleen voor katholieke handarbeiders. Een snel slinkend ledental dwong het NKV echter tot steeds nauwere samenwerking met het (protestantse) Christelijk Nationaal Vakverbond (CNV) en het (sociaaldemocratische) Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV). In 1976 besloten het NKV en het NVV een federatie te vormen: Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV). Op 1 januari 1982 werd deze federatie omgezet in een volledige fusie en verdwenen het NKV en het NVV als vakcentrales definitief.

Geschiedenis

De afdeling werd vóór 1957 opgericht. Zij was een zeer kleine afdeling, die haar jaarvergaderingen afwisselend hield in Café Van de Berg en Café De Valk. In 1979 fuseerde zij met de NKV-afdelingen Heumen-Malden, Nederasselt en Overasselt tot de FNV-afdeling Heumen.

Taken en activiteiten

De katholieke verenigingen voor arbeiders die vanaf 1891 werden opgericht, lieten zich grosso modo in twee groepen onderverdelen: vakbonden, die primair de behartiging van de materiële belangen van hun leden tot doel hadden, en standsorganisaties, met als primair doel het bewaken en versterken van het godsdienstig en zedelijk peil van hun leden. Het R.K. Werkliedenverbond (RKWV) werd in 1925 opgericht om, hiertoe gemachtigd door de bisschoppen, al deze verenigingen te controleren. De taak van het RKWV was in feite tweeledig: enerzijds de katholieke arbeiders in het gareel houden, anderzijds de belangen van deze arbeiders vertegenwoordigen door te onderhandelen met de organisaties van andere katholieke standen, met de katholieke politieke partij en met de vakverenigingen van andere religieuze en politieke stromingen. Om deze taken uit te kunnen voeren leidde het RKWV kaderleden op, die afkomstig waren uit de arbeidersstand. De Nederlandse Katholieke Arbeidersbeweging (KAB, vanaf 1945) beschikte hierdoor over een zelfbewust kader, dat de emancipatie van de katholieke arbeider binnen de katholieke zuil als het doel van de KAB zag. Om dit te bereiken trachtte de KAB haar invloed te vergroten door actief leden te werven en door binnen de Katholieke Volkspartij politieke mandaten op te eisen. Het wegvallen van de katholieke zuil en de daarmee samenhangende katholieke sociale leer in de jaren zestig maakte dat de taakstelling van de KAB in zijn geheel kwam te vervallen. Het Nederlands Katholiek Vakverbond (NKV, vanaf 1964) zag het niet meer als zijn taak te waken over de katholiciteit van zijn leden, het wenste enkel nog een vakcentrale te zijn, die opkwam voor de materiële belangen in zake loon en arbeidsomstandigheden van alle werknemers, ongeacht hun gezindte.

Organisatie

Kenmerkend aan het R.K. Werkliedenverbond (RKWV) en de Nederlandse Katholieke Arbeidersbeweging (KAB) was zowel een sterke centralisatie als een fijnmazige lokale structuur. Enerzijds trokken zij de regie over vakbonden en standsorganisaties zoveel mogelijk naar zich toe, anderzijds lieten zij zich in ieder kerkdorp, hoe klein ook, vertegenwoordigen door een aparte afdeling. Het RKWV, en later de KAB, onderscheidde zich van andere vakcentrales omdat het niet enkel een koepel voor vakbonden, maar ook voor standsorganisaties was. In tegenstelling tot de landelijke vakbonden waren de vijf standsorganisaties diocesaan georganiseerd. Voor de regio Nijmegen betekende dit dat het geestelijk-zedelijk peil van katholieke vakbondsleden ten zuiden van de Waal bewaakt werd door de Bossche Diocesane Bond, gevestigd in Tilburg, en ten noorden van de Waal door de Utrechtse Diocesane Bond, gevestigd in Utrecht. Het RKWV kende een dubbellidmaatschap: leden waren zowel lid van een vakbond als van een standsorganisatie. Het was niet mogelijk rechtstreeks lid te zijn van het RKWV. Op plaatselijk niveau werd hét RKWV vertegenwoordigd door dé RKWV (R.K. Werkliedenvereniging), die eventueel een oudere R.K. Volksbond verving. De RKWV werd gevormd door alle leden van katholieke vakbonden woonachtig in het dorp of de stad. Deze werden één keer in het jaar bijeengeroepen om een nieuw bestuur te kiezen. Vaak bezat een RKWV onderafdelingen: muziek- of sportverenigingen exclusief voor leden van de RKWV. Toen het RKWV plaatsmaakte voor de KAB wijzigde de lokale situatie niet wezenlijk; het belangrijkste verschil was dat de leden voortaan rechtstreeks lid waren van de centrale en niet langer van zowel een vakbond als een standsorganisatie. De structuurwijziging van de KAB in het Nederlands Katholiek Vakverbond (NKV) had lokaal wel verstrekkende gevolgen. Alle onderafdelingen werden verzelfstandigd en kwamen los te staan van de vakbeweging. De standsorganisaties en de activiteiten die zij organiseerden verdwenen. En het bestuur van de plaatselijke afdeling bestond voortaan uit afgevaardigden van de plaatselijke afdelingen van NKV-bonden.

Locatie

1957-1979: Balgoij

Bronnen

  • J. Roes (red.), Katholieke arbeidersbeweging. Studies over KAB en NKV in de economische en politieke ontwikkeling van Nederland na 1945, Baarn 1985.

Verantwoording

Inleiding van de toegang op het archief door Andreas Caspers. (2017)



KENNISBANK
Verder graven in de historie van stad en omgeving
FACEBOOK
Op de hoogte blijven van het laatste nieuws van het Huis
EDUCATIE
Projecten en maatwerk voor het onderwijs
VERHALEN
Verteld verleden