header wiki – Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Nijmegenaren met een beperking

Uit Huis van de Nijmeegse geschiedenis

Ga naar: navigatie, zoeken

Inleiding

De Werkgroep Integratie Gehandicapten (WIG) en Stichting onafhankelijk belangenbehartiger sociale zekerheid (BWN) die in 2012 respectievelijk 40 en 35 jaar bestaan, kwamen met het voorstel een 51e venster over Nijmegenaren met een beperking te maken. Het door hen uitgewerkte idee heeft uiteindelijk dankzij de inspanningen van onze vrijwilligster Dineke Hoekstra geleid tot een mooie nieuw 51e venster.

U leest er over hoe wreed er bij de Romeinen gedacht werd over mensen met een beperking. Ontdek hoe gaandeweg de inzichten veranderden en gestreden werd voor integratie van mensen met een beperking. Met korte teksten en illustraties, maar ook met bewegende beelden wordt u een overzicht geboden van een verleden dat voor veel mensen een geschiedenis met hindernissen is geweest.

In 1972 werd in Nijmegen cultureel centrum ‘De Lindenberg’ geopend. Deze opening was de aanleiding voor een grote demonstratiemars van mensen met een handicap: zij konden namelijk door de ‘speelse architectuur’ (steeds verspringende plateaus, trapjes, etc.) het gebouw niet in.

De demonstratiemars vormde het startschot voor de Werkgroep Integratie Gehandicapten (WIG) die in 2012 op 13 juni haar 40-jarig jubileum vierde met een receptie voor genodigden in… De Lindenberg! Dit jubileum werd samen gevierd met de Stichting BWN, die dit jaar 35 jaar bestaat. Deze stichting zet zich op het terrein van de sociale zekerheid in voor maatschappelijke en juridische ondersteuning van Nijmeegse burgers.

Samenstelling: Dineke Hoekstra

51e canonvenster

Canonlogoklein.jpg
De Canon van Nijmegen vertelt in 50 vensters de belangrijkste verhalen over de geschiedenis van Nijmegen. Omdat daarmee niet de hele geschiedenis is beschreven, biedt het Canonkabinet de mogelijkheid om een 51ste venster toe te voegen. Lees verder...

Iedere presentatie krijgt een blijvende plek in het Digitale Huis. Lijst met toegevoegde vensters:


Specifieke onderwerpen

WIGlogo.jpg
Op deze pagina staat meer informatie over de achtergrond en algemene geschiedenis. Specifiekere onderwerpen zijn in de volgende artikelen opgenomen:

Werkgroep IntegratIe Gehandicapten (WIG) 40 jaar in Nijmegen

“De Lindenberg wordt een huis van muziek, literatuur en beeldende kunsten, dienstbaar aan het gehele culturele leven van nijmegen en omgeving. het gebouw kruipt als het ware tegen de heuvel op, waarbij het niveauverschil op speelse wijze wordt uitgebuit door steeds verspringende plateaus met trapjes en dorpelpartijen, zodat het interieur steeds iets levendigs en verrassends behoudt’’… Uit: ‘Mens & Melodie’ (1970)

Bron: Regionaal Archief Nijmegen

Demonstratie door gehandicapten voor de Openbare Bibliotheek voor betere aanpassingen.

De officiële opening van het gebouw, op 29 maart 1972, was aanleiding tot de eerste demonstratiemars van mensen met een handicap in Nederland en vormde het startschot voor de Werkgroep Integratie Gehandicapten (WIG). In de ‘speelse architectuur’ van het gebouw was namelijk geen rekening gehouden met rolstoelgebruikers, zij konden er niet in! De tocht voerde van de Maartenskliniek over de Berg en Dalseweg naar De Lindenberg. Zo’n 200 mensen, met en zonder handicap.

Frans Huysmans, die namens de protesterende jongeren een petitie zou overhandigen: ‘We waren pubers nog en rebels. Voor de leiding van de Maartenskliniek stond onze handicap centraal, de verzorging en dan de school. Voor ons niet. Wij wilden leven, uitgaan, de straat op. We hadden wel een handicap, maar waren verder toch jongeren zoals alle anderen’. De officiële opening van De Lindenberg werd verricht door de toenmalige minister van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk, de heer P.J. Engels. Frans Huysmans bood hem namens de protesterende jongeren een petitie aan. Daarvoor moest de minister wel naar buiten komen, de rolstoelgebruikers konden het gebouw niet in.

De demonstratie van 29 maart 1972 haalde de landelijke pers. Het zou echter nog jaren van gesprekken en onderhandelingen duren voordat er in De Lindenberg concrete resultaten waren.

Oudheid

Over het algemeen vonden de Romeinen dat een kind dat met een zichtbaar gebrek geboren werd, moest worden gedood of te vondeling gelegd. In de oudste vastgelegde Romeinse wetten (de twaalf tafelen) stond, aldus de schrijver Cicero (106-43 v Chr.), dat een vader zijn kind snel uit de weg moest ruimen als het duidelijk misvormd was. ook de ruim een eeuw na Cicero levende medicus Soranus was duidelijk over mismaakte en zwakke kinderen: het had volgens hem geen zin om er geld of energie in te steken.

Een misvormd kind strookte niet met het Romeinse ideaal van krachtige, mooi gevormde mensen. Men zag het bovendien vaak als een slecht voorteken of als een straf van de goden. Ook waren gehandicapte kinderen voor ouders vaak een last, zeker in arme families. Waren er dan helemaal geen mensen met een beperking in de Romeinse maatschappij? Natuurlijk wel, want er zullen ook ouders zijn geweest die hun kind toch in leven hielden. Ook kon het zijn dat gebreken bij geboorte nog niet zichtbaar waren, of dat mensen pas later gebreken kregen. Een bekende persoon met een beperking uit de Oudheid is de Romeinse keizer Claudius die regeerde van 41 tot 54 na Chr.

Keizer Claudius, 1e eeuw na Chr.

Claudius liep mank, stotterde en was waarschijnlijk licht spastisch. Men beschouwde hem als achterlijk, hoewel er geestelijk niets mis met hem was. Zijn eigen familie sprak met minachting over hem. Men zag hem niet als een serieuze rivaal voor de macht, wat mogelijk zijn leven redde in de slangenkuil die het hof was. Doordat hij overal buiten gehouden werd, had hij alle tijd om te lezen en te studeren.

Misschien juist door zijn grote belezenheid wist hij, toen hij eenmaal keizer was, veel bestuurlijke problemen snel op te lossen. Hij vergrootte en verbeterde bijvoorbeeld het overheidsapparaat. Ook zorgde hij voor verbetering van de graanvoorziening van Rome. Belangrijk was ook zijn besluit om de Rijn als grens (Limes) van het Romeinse Rijk aan te wijzen. Nijmegen werd toen een grensstad. Ook hier aan de Waal zal de positie van ‘misvormden’ vergelijkbaar zijn geweest met die in andere delen van het Romeinse rijk. Bekend is dat ook de Germanen de gewoonte hadden kinderen die mismaakt waren te doden.

In de 4e eeuw na Chr. werd het christendom de staatsgodsdienst in het Romeinse Rijk. Kerkvader Augustinus (354-430) leerde dat God de schepper is van alle mensen, dus ook van armen, zieken en mensen met een beperking. Dit waren lijdende medemensen, en christenen hoorden hun lot te verzachten.

Middeleeuwen

In de 6e eeuw kwam in onze streken de bekering tot het christendom sterk op gang. Op het platteland verrezen kloosters, met daarbij een gastenverblijf (‘hospitium’). Dit was in de eerste plaats bedoeld voor pelgrims op doorreis. Al snel ontvingen demonniken in het hospitium ook armen, zieken en mensen met een beperking: zij kregen een aalmoes en enige zorg. Medische en/of sociale hulp was niet het hoofddoel van de kloosterlingen, de primaire aandacht was gericht op het hiernamaals.

Kinderen en volwassenen met een verstandelijke beperking leefden in een agrarische samenleving waar analfabetisme regel was en het werk weinig eisen stelde. In die maatschappij waren er voor hen voldoende eenvoudige klusjes. Ze hoorden erbij en konden meestal rekenen op de zorg van hun eigen familie en leefgemeenschap. Doven hadden lange tijd een slechte sociale positie, dit door een kortzichtige interpretatie van een brief van de apostel Paulus: ‘het geloof komt uit het horen van het geloofsverhaal’. Doven waren dus ongelovig en werden daarom uitgesloten van kerkelijke sacramenten. Dit had verregaande gevolgen: ze mochten niet trouwen en konden geen aanspraak maken op erfrechten. Pas in de 12e eeuw kregen ze officieel van de kerk toestemming om te trouwen. Maar zelfs tot aan het eind van de middeleeuwen werden doven van veel beroepen uitgesloten.

Bron: Regionaal Archief Nijmegen

Het CellenBroederenhuis, het rechter beneden gedeelte gezien in de richting van de Vleeshouwerstraat (1939).

Vanaf de 11e eeuw verstedelijkten grote delen van Europa. Gasthuizen (hospitalen) werden steeds meer in de steden gebouwd. Ook in Nijmegen kwamen in de late middeleeuwen overal gasthuizen. Voorbeelden zijn het Sint Jans-Hospitaal (de Commanderie), het St. Jacobshuis en het Heilige-Geest-Hospitaal. Ook het ‘dolhuis’ van de Lollarden of Cellenbroeders is een huis waar zieken verpleegd werden. Net als op het platteland stond in de steden ook nog in de latere middeleeuwen het zielenheil van de patiënten centraal en niet hun ziekte of beperking: zieken werden opgevangen en verzorgd in een zaal die uitkwam op een kapel. Ook bij het Nijmeegse dolhuis was een kapel.

Zoals de naam ‘dolhuis’ al aangeeft huisvestte het ‘dollen’ of geesteszieken. Mensen meteen verstandelijke beperking kregen het steeds moeilijker: in de stedelijke omgevingwerd zonderling en afwijkend gedrag als storend beschouwd. Onrustige en vooral lastigekrankzinnigen werden in de dolhuizen opgesloten. Lachen om mensen met een handicapwas een geliefkoosd tijdverdrijf. Tijdens de kermis werden in Utrecht de bewoners van hetdolhuis tegen betaling letterlijk te kijk gezet. Dit vermaak werd pas in 1782 afgeschaft.

Na de Reductie van Nijmegen in 1591 kreeg Nijmegen een protestants stadsbestuur. De middeleeuwse instellingen werden niet meer door katholieken beheerd maar door de stad die regentencolleges aanwees als bestuurders. De zorg in gasthuizen en dolhuis kwam in handen van leken. Ook zij hielpen de minder bedeelde medemens nog vooral vanuit godsdienstige motieven.

Van nachtwakersstaat naar verzorgingsstaat

Parlementaire enquete

Tegen het eind van de 19e eeuw ontstond er voor het eerst in Nederland grootschalige arbeidsonrust. Dit leidde bij de burgerij tot twijfel over het ver doorgevoerde economisch liberalisme: moest de overheid sommige groepen misschien toch helpen? De ‘sociale quaestie’ kwam op de politieke agenda en in 1885/1886 werd een parlementaire enquête gehouden. Die baarde veel opschudding. Gegoede burgers die geen flauw benul hadden van het arbeidersleven waren geschokt door de verhalen over het uitputtende fabriekswerk die naar buiten kwamen. Verbijsterd was men over de harteloosheid van veel fabrikanten, zeker die van de Maastrichtse aardewerk- en glasfabrikant Regout. Hij vertelde dat de stokers in zijn fabriek niet één dag in het jaar vrij waren en dat 12-jarige jongens al de hele week nachtdiensten van twaalf uur draaiden. Op de vraag of dat niet ongezond was, zei Regout schouderophalend dat studenten ook wel eens een nacht doorhaalden.

De enquête leidde tot de Arbeidswet van 1889, die in de industrie nachtarbeid voorvrouwen en jongens tot 16 jaar verbood en hun werkdag beperkte tot elf uur. Sociale wetten die hierop volgden in de 20e eeuw waren onder andere: de Ongevallenwet (1901), Invaliditeitswet (1911), Ziektewet (1930), Kinderbijslag (1941), Noodwet Drees (1947), AOW, Algemene Ouderdomswet (1957), en de WAO, Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering (1967).

In de loop van de jaren zeventig groeit het aantal mensen in de WAO snel, ook in Nijmegen. Zij zitten afgedankt thuis. Het toenmalige industriepastoraat nodigt hen uit in wijkcentra. Dit is de aanzet tot de oprichting van BWN in 1977.

Bron: Regionaal Archief Nijmegen

Een aantal zusters en kinderen van de St. Maartenskliniek (1949).

Deze nieuwe wetten zouden ook een tot veranderingen in de medische zorg leidden en tot een andere kijk op mensen met een lichamelijke beperking. De komst van een orthopedische kliniek als de Nijmeegse Maartenskliniek kan niet los gezien worden van deze nieuwe visie. In de 19e eeuw veranderde ook de visie op krankzinnigen. Dat leidde tot de komst van aparte krankzinnigengestichten en meer humane behandelingsmethoden. De Nijmegenaar Johannes van Duuren, verzorger van krankzinnigen in de Pijkestraat, mag in dit verband met ere genoemd worden.

Kortom, vanaf het eind van de 19e eeuw ging de overheid steeds meer initiatief tonen op het gebied van arbeidsomstandigheden, invaliditeit, ouderdom en ziekte. Nederland veranderde van een nachtwakersstaat in een verzorgingsstaat. Dat zou ook leiden tot een zorg die niet meer in handen was van particuliere, vaak godsdienstige instellingen. En uiteindelijk zou het ook leiden tot andere opvattingen over de zorg en over mensen met een geestelijke of lichamelijke beperking die deze zorg nodig hadden.


KENNISBANK
Verder graven in de historie van stad en omgeving
FACEBOOK
Op de hoogte blijven van het laatste nieuws van het Huis
EDUCATIE
Projecten en maatwerk voor het onderwijs
VERHALEN
Verteld verleden