header wiki – Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Opperbevelhebber Nijmegen

Uit Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Ga naar: navigatie, zoeken
Algemene gegevens
Naam : Opperbevelhebber Nijmegen
Andere naam (namen):
  • Opperkommandant

Bestaansperiode: 1830 - 1839
Rechtsvorm:
Voorganger(s):

Opvolger(s):

Hoger orgaan:

Archief
Het archief van deze organisatie is in beheer bij het Regionaal Archief Nijmegen. De toegang met de beschrijving van de stukken is bereikbaar via deze link:
Icoon archief.png
Naar beschrijving archief

Algemene context

Oorlog met België

Volgens Belgische traditie was België in 1830 uitgegroeid tot natie, die de vreemde onderdrukking afwierp; volgens Groot-Nederlandse traditie was er sprake van een Frans complot. Er was sprake van een anti-Nederlandse houding in het Zuiden, ook werd deze houding wel bestempeld als door de Nederlanders aan de Belgen opgedrongen (1)). Feit is dat de onlusten in augustus en september in onder andere Brussel aanleiding waren gewapenderhand in te grijpen en het -"ons"- land te mobiliseren.

Eind augustus 1830 worden alle beschikbare troepen samengetrokken bij Antwerpen en Maastricht (respectievelijk onder leiding van Prins Frederik, 14.753 man en Luitenant-Generaal Cort Heyligers, 6.288 man). Rond dezelfde tijd worden miliciens met groot verlof onder de wapenen geroepen, moeten Schutterijen en vrijwillige korpsen zich aansluiten bij het permanente leger en wordt de werving van vrijwilligers (onder gunstige voorwaarden) sterk aanbevolen.
Reeds eind september trekken de troepen zich terug aan de grenzen van "oud Nederland" (2)), vooruitlopend op de wapenstilstand van 17 november. (3))

Even tevoren waren er vanuit de voorposten van Grave en Nijmegen troepenbewegingen waar te nemen nabij Grubbenvorst, waar 1500 muitelingen een schip met kruit uit Venlo plunderden en in de richting van Boxmeer trokken; meer Belgische "horden" rukten op: 11 november wordt Venlo ingenomen door naar schatting 7.000 man onder leiding van de voormalige Generaal-Majoor in Nederlandse dienst Daine (waarop op 17 november de vesting Nijmegen in staat van oorlog verklaard wordt); slechts Maastricht blijft in Nederlandse handen.
Na afkondiging van de wapenstilstand proberen Belgische troepen nog tussen Maaseik en Weert Oost N.Brabant binnen te vallen. Bovendien zijn er schermutselingen nabij Maastricht waarop een verhoogde staat van paraatheid wordt bevolen tegen de achtergrond van een geplande uitval naar Venlo en Maastricht. Die wordt echter afgelast en op 8 februari 1831 wordt de wapenstilstand definitief.

Vanaf medio juni van dat jaar trekken allerlei troepen door Nijmegen naar het Zuiden (omgeving Eindhoven): de Tiendaagse Veldtocht staat voor de deur, een agressieve actie om gunstiger voorwaarden bij de Conferentie te Londen af te dwingen, van welke strijd (2-12 augustus) hier, behalve het aanvankelijk verzamelen van korpsen, weinig meer is te merken dan het weer terugkeren van de troepen met hun gewonden. (4))
Er heerst nu (ook bij de Opperbevelhebbers) de mening dat er weer een wapenstilstand is gesloten. Dit is een misvatting: slechts aanvallende bewegingen zijn gestaakt, de meeste waakzaamheid dient echter in acht genomen te worden. Op 29 augustus is het wél zover, zij het dat de wapenstilstand slechts stand houdt tot 25 oktober (5)), met dán echter de restrictie dat uitsluitend defensief zal worden opgetreden.
Even nog dreigt de strijd op te laaien: in augustus 1832 wordt vanuit Venlo de Belgische zijde van de Maas bezet tot Mook, aan de Nederlandse zijde gebeurt hetzelfde.
Drie maanden later wordt de Landstorm (de mannen die niet in dienst zijn bij leger of schutterij) opgeroepen bij het verschijnen van Engelse en Franse schepen voor onze kust en het oprukken van een Frans leger in België. Op 10 juni 1833 wordt echter een overeenkomst met Frankrijk en Groot-Brittannië gesloten, waarop een algemene ontspanning valt waar te nemen: er kon ruimschoots verlof worden toegekend tot 1/3 van de sterkte.

In augustus 1834 wordt het leger gereorganiseerd, wat voornamelijk inhoudt een terugkeer naar de standplaatsen en een vermindering van het Leger te velde, waarbij wel het kamp Rijen als "oefenplaats" gehandhaafd blijft. In de nu volgende jaren is er van enig strijdgewoel geen sprake (6)), de toestand wordt geconsolideerd en het wachten is op het toegeven van Willem I, hetgeen pas in 1838 geschiedt. Nu echter twijfelt België, dat uiteindelijk nog voordeel uit de gewijzigde houding van Willem weet te slaan.
Begin januari 1839 worden in België troepenbewegingen waargenomen, waarop in ons land de lichtingen 1832 en 1833 van verlof worden teruggeroepen; de machtiging aan de kommandanten om min of meer langdurig verlof te verlenen wordt ingetrokken.

Op 19 april worden de traktaten betreffende de scheiding van Nederland en België getekend (7)), waarna op 12 juni de staat van oorlog van de vesting Nijmegen wordt opgeheven.

Nijmegen als "militaire positie"

Blijkens een nota van Z.K.H. de Admiraal en Kolonel-Generaal naar aanleiding van een inspectie over de Nijmeegse vestingwerken in november 1830 beschikte de stad over zo uitgebreide vestingwerken, dat het geen vesting meer genoemd kon worden, maar een militaire positie van het hoogste gewicht, die echter in de handen van de vijand gevallen een gevaarlijk tegenwapen kon worden. De stad kon bij een bezetting van 10. à 12.000 man zonder meer stand houden tegen iedere aanval en bovendien via de door forten onder controle te houden rivier de Waal verzekerd blijven van aan- en afvoer van ravitaillering en troepen. Toch vond hij dat de begonnen uitbreiding voltooid diende te worden en ook nieuwe uitbreidingen zouden nog volgen.

De begonnen uitbreiding: in 1814 bepaalde Willem I dat Nijmegen als vesting hersteld diende te worden, terwijl men juist met de sloop was begonnen als gevolg van de schenking van de werken aan de stad door Lodewijk Napoleon in 1808 (8).
Deze uitbreiding bestond uit het oprichten van buitenforten (9)), met name onder J.Krayenhoff, ingenieur der Genie te Nijmegen. Onder zijn leiding was het ook dat in 1830, bij het in staat van defensie brengen van de vesting, de noodzakelijke verbeteringen aangebracht werden (waarvoor hij onder andere 300.000 gebakken metselstenen, 6.000 boomstammen en 95.000 palissaden benodigde). Tot 1870 vonden nog uitbreidingen plaats; in 1874 werd de Vesting opgeheven.

De inkapseling van de stad door de gordel van vestingwerken had voor de bevolking niet te onderschatten gevolgen: de voortdurend uitgestelde ontmanteling werkte de economische achteruitgang en de verpaupering in de hand (10.000 inwoners in 1814 en ruim 23.000 in 1870 woonden op eenzelfde grondgebied, in feite de begrenzing van de laatste omwalling daterend van 1456-68); de vesting maakte een garnizoen noodzakelijk, gehuisvest in grotendeels door de stad te bekostigen kazernes en, in de jaren 1830-39, voor een gedeelte ingekwartierd bij de burgers. De aanwezigheid van de troepen betekende een zware last voor de armsten: afgezien nog van het zedelijk verval zijn zij het die de last dragen voor het financieren van Nijmegen als vesting, vooral dan wanneer de gegoede burgers uit de stad vertrekken (om diezelfde redenen). Daarentegen is de aanwezigheid van het garnizoen later weer voor vele regenten- en renteniersfamilies aanleiding zich te Nijmegen te vestigen (veiligheid), welke (invloedrijke) stand op haar beurt weer de ontmanteling lang heeft kunnen tegenhouden, aldus sommige auteurs. (10))
Als gevolg van de in-staat-van-oorlogverklaring door de Opperbevelhebber werden voor de bevolking een aantal beperkende maatregelen van kracht, die in de eerste jaren strenger werden nageleefd dan gedurende de jaren na 1833. (11)) Behalve deze maatregelen kon men in deze stad ook de gevolgen van andere maatregelen waarnemen: het feit dat reizigers uit België slechts over Bergen op Zoom, Breda, 's Hertogenbosch en Nijmegen, en die uit Frankrijk via Pruissen slechts over Nijmegen, landinwaarts mochten reizen bracht een levendig verkeer met zich mee. Speciaal moest gelet worden op de verboden handel in Belgische producten, verdachte personen (met name uit Parijs, vanwaar zogenaamde zendelingen probeerden de alhier heersende eensgezindheid tussen koning en volk (?) te verstoren) en deserteurs, waarbij we in het oog moeten houden dat de grens met België op ± 10 km van Nijmegen lag (Heumen, Malden, Groesbeek). Overigens waren in de omgeving verschillende deserteurs gehuisvest (12)), moest er een strafexpeditie gehouden worden om onwillige schutters op te sporen en bloeide de smokkelhandel.
De grensbewaking vond plaats vanuit kantonnementen en voorposten tot Boxmeer, terwijl ook de veren over de Maas (grensrivier!) voordurend in het oog werden gehouden.

1. Zie E.H. Kossman, De Lage Landen, blz. 103 e.v.
Een nieuw licht op het voorspel tot de opstand werpt: Els Witte, Politieke machtstrijd in en om de voornaamste steden 1830-1848
2. Deze linie werd gevormd door de grensscheiding tussen de Belgische provincies en de Verenigde Nederlanden van vóór het Traktaat van de Parijse vrede, 30 mei 1814.
3. Londen, art. 6 van het Protocol van 17 november 1830 sub.2: geen aanvallende bewegingen ingaande op het moment dat de troepen zich hebben teruggetrokken achter deze linie.
4. Ooggetuigenverslagen van deelnemers aan de Tiendaagse Veldtocht, die een tijdlang te Nijmegen verbleven, zijn te vinden in de genoemde werken van Alblas en Cannegieter.
5. In deze maand weigert Willem I de voorgestelde 24 artikelen te aanvaarden!
6. Willem I veranderde zijn agressieve politiek onder invloed van de isolatie van Nederland sinds 1833.
7. Reeds in september 1830 werd het Voorlopig Bewind te Brussel ingesteld, in oktober van dat jaar verklaarde minister Van Maanen de afscheiding als een voldongen feit;
18 november verklaart het Congres België onafhankelijk, gevolgd door de Conferentie te Londen op 20 december
8. De stad kreeg de werken, onder voorwaarde dat men ze zou slopen. Willem vorderde de grond terug, die de stad na 1874 (opheffing van de vestingstatus) mocht kopen (!) van de staat.
9. Zie voor de ontwikkeling van de vesting(werken); Gorissen, Stedeatlas van Nijmegen.
10. Zie voor deze problematiek o.a. inv. nr. 509, het werk van Schampers, en uit Van Hoften en Janssen: dl. A. hfdst. II en uit Ribbink en v.d. Pol: deel 1.
11. Een beschrijving van Nijmegen in deze tijd, waarbij o.a. gebruik gemaakt is van het onderhavige archief, vindt men in: A.Beck, Nijmegen in de status-quo-tijd 1830-1839
12. Deze strafexpeditie wordt uitgebreid verhaald in het artikel van Van Dam van Isselt

Geschiedenis

De opperbevelhebber

In tijd van vrede is in Nijmegen als hoogste plaatselijke militaire autoriteit aanwezig de Plaatskommandant (vgl. de huidige garnizoenskommandant), bijgestaan door 1 of 2 plaatsmajoors en intendanten (administratie), tezamen het plaatsbureau vormend. Hij regelt een aantal garnizoensaangelegenheden: personele bezetting, wachtposten, parades, financiën, kleding en uitrusting, kazernering, reiswijzers en, in samenspraak met de "eerstaanwezend" ingenieur, vestingwerken. De kommandanten van alhier gelegen onderdelen ontvangen van hem orders voor zover het deze aangelegenheden betreft. De Opperbevelhebber (ook Opperkommandant genoemd) wordt in vestingen benoemd als de omstandigheden daartoe aanleiding geven en neemt het kommando van de Plaatskommandant over, waarbij hij natuurlijk van de diensten van de Plaatskommandant en zijn bureau gebruik kan maken. Te Nijmegen wordt bij Koninklijk Besluit van 18 oktober 1830 nr. 13 Generaal-Majoor L.J. George benoemd tot Opperbevelhebber, hij neemt het gezag over van de Plaatskommandant Generaal-Majoor Dolleman. Deze laatste gaat 31 december van dat jaar met pensioen en wordt opgevolgd door Kolonel Van Diepenbrugge bij Koninklijk Besluit van 31 december 1830 nr.26. Generaal-Majoor George wordt op 7 oktober 1831 benoemd tot Provinciaal kommandant van Noord-Brabant en Opperbevelhebber van de vesting 's Hertogenbosch, op welke datum de Luitenant-Generaal O. Howen alhier wordt benoemd. Wanneer hij op 14 juli 1839 met pensioen gaat, draagt hij het kommando weer over aan de Plaatskommandant.
Wanneer de Opperbevelhebber op 17 november 1830 de vesting in staat van oorlog verklaart (een toestand die zal duren tot 13 juni 1839) betekent dat, dat te Nijmegen een temporaine Krijgsraad gevestigd dient te worden en dat het stadsbestuur niet dan na overleg met de Opperbevelhebber verordeningen kon uitvaardigen; bovendien kan de Opperbevelhebber hiertoe initiatieven nemen.
De Opperbevelhebber draagt de verantwoording over alle militaire zaken in de vesting en ontvangt als zodanig zijn orders van de Opperbevelhebber van het Leger en het Departement van Oorlog; het Departement van Justitie maakt van hem gebruik in verband met de veiligheid van de Staat waar het infiltratie door vreemdelingen betreft. Daarnaast ontvangt hij voor troepenbewegingen, inlijving, inspectie en dergelijke ook orders en/of aanbevelingen van de Groot-Militaire Kommando's (met name het 2e te Zutphen, waaronder Nijmegen ressorteert), Provinciale Kommandanten, Chefs van Staven, Inspectiekommandanten en Gouverneurs van Provinciën. Omdat hij op de hoogte wordt gehouden van het verloop van alsmede plannen voor de strijd is hij, méér dan de Plaatskommandant, bevoegd orders te verstrekken aan de alhier gelegerde troepen, bestaande uit Genie, Artillerie en Infanterie (1)).
Bovendien zijn de Schutterijen onder het gezag van de legerleiding geplaatst, waarbij de (voor tijdelijk benoemde) plaatselijke infanteriekommandant de werkzaamheden van de Infanterie en de Schutterijen (behalve de hieruit geformeerde Artilleriekompagnieën) coördineert.

De functionarissen

George (2)).

Lambertus Josephus George (x Breda, 22 augustus 1775, + 1852, zoon van François George en Maria Helena van Hall; was gehuwd met Nevina van Koll-Spaan) begon zijn militaire loopbaan in 1787 als kadet en werd in 1840 gepensioneerd met de rang van Luitenant-Generaal. Hij vocht in de veldtochten van 1792-1795 in Brabant en Vlaanderen met het legioen Etrangers; in 1799 tegen de Engelsen en Russen in N.-Holland; in 1806-1808 met het Hollandse leger in Hannover; in 1809 in Zeeland tegen de Engelsen; in 1811/12 in Rusland voor Napoleon; in 1813 in Pruissen, Saksen en Frankrijk voor de Keizer. Voor zijn komst naar Nijmegen was hij Opperbevelhebber van de Infanterie te Bergen (Henegouwen). Zijn zoon Willem Frans Karel (+ Batavia, 6 november 1846) maakte ook een militaire carrière: hij was ingenieur en laatstelijk verbonden aan de Generale Staf.

Howen (3)).

Otto (baron de) Howen (x Mittau, 9 maart 1774, + Nijmegen 25 mei 1848, (4)) zoon van George Baron de Howen en Eleonora Dorothea Gravin von Dücker; was getrouwd met Julie Philippe Auguste Uitenhage de Mist), aanvankelijk in Russische dienst, viel in ongenade aan het keizerlijk hof en nam in 1799 dienst als kanonnier in het Bataafse Leger. In hoge achting staande bij Willem I en II klom hij op tot de rang van Luitenant-Generaal. In 1830 was hij Opperbevelhebber van Bergen (Henegouwen), moest aldaar voor een overmacht zwichten en werd enige tijd te Brussel gevangen gehouden. Te Nijmegen, waar hij al eerder vertoefde: rond 1800 tekent hij de citadel, in 1816 assisteert hij zijn vrouw bij het laten opmaken van een notariële akte, woonde hij in de Korte Burchtstraat, later op de Grote Markt. Na zijn pensionering als militair bleef hij te Nijmegen wonen. Alhier sterft ook zijn zoon Otto Jacob August, 2e luitenant bij de Grenadiers (x 's Gravenhage 1815, + 31 mei 1843. Howen was amateur beeldend kunstenaar, hij vervaardigde onder andere meer dan 200 tekeningen.

1) Gegevens over de inrichting van het leger zijn o.a. te vinden in het uitgebreide overzicht van Hardenberg
2). Zie: Van der Aa, dl. G-H blz. 35
3) Zie behalve Van der Aa, dl. G-H blz. 422-423, ook de genealogie De Mist in:Nederlands Patriciaat, jrg. 23, blz. 146 e.v. en Scheen, blz. 521
4) Een genealogische opheldering:Bij Howens overlijdensakte is met potlood aangetekend dat deze Otto dezelfde zou zijn als ene Anton. Van der Aa vernoemt Anton de Howen, x Reval 1774, waarbij (althans in het Nijmeegse exemplaar) met potlood is aangetekend: "gestorven te Nijmegen, in 18.." De geboorteplaatsen verschillen: Mittau, eertijds in Koerland gelegen, thans Jelgava in Letland, ligt ± 50 km ten Z.O. van Riga; Reval, thans Tallin, hoofdstad van Estland, ligt ± 360 km noordelijker aan de Finse Golf. Geboortedata en afstamming ("een aanzienlijk adellijk Russisch geslacht") lijken te kloppen. Van Otto bevinden zich in het Nijmeegs Museum Commanderie van St. Jan (daar Anton genoemd) o.m.een staalgravure voorstellend het Valkhof en Belvédère en een drietal panorama's (resp. uit 1832 en 1833 (!), elders bevinden zich nog een gezicht op de Stadsschouwburg en op de citadel. Scheen noemt in zijn Lexicon Anton Baron (de) Howen x Mittau 9 maart 1774, + Nijmegen 25 mei 1848. De daar beschreven militaire loopbaan komt vrijwel overeen met die van Anton de Howen in Van der Aa, terwijl zijn kunstzinnige activiteiten overeenstemmen met wat Van der Aa toekent aan (Ridder) C. de Howen Scheen leert echter dat "zijn" Anton zijn werken vaak signeerde met Chevalier of C. de Howen
Concluderend kan gesteld worden dat de bij Van der Aa genoemde Ridder C. de Howen en Anton Baron de Howen, de bij Scheen genoemde Anton Baron (de) Howen, de in De Mist genoemde Otto Baron van der Howen en onze Opperbevelhebber Otto Howen één en dezelfde persoon zijn, daar, behalve de geboorteplaats Reval bij Van der Aa, alle gegevens overeenstemmen. Hier zij gemeld, dat Howen te Nijmegen steeds tekent met O. Howen.

Locatie

-:Nijmegen

Bronnen

  • A.J. van der Aa:Biografisch Woordenboek der Nederlanden, z.pl. en z.jr.
  • J.N. Alblas:Mijn grootvader in de tiendaagse veldtocht, art. in: Nederlandse Historiën, jrg. VIII/1974, blz. 3 e.v.
  • A. Beck: Nijmegen in de status-quo-tijd 1830-1839, doctoraal-scriptie, Nijmegen 1980. Onuitgegeven
  • H.G. Cannegieter: Grootvaders glorie, het verhaal van de Tiendaagse Veldtocht, Groningen 1830. Ook als art. in: Provinciale Geldersche en Nijmeegsche Courant, 4 jan. 1930-5 juli 1930.
  • W.E. van Dam van: Isselt:De beteugeling van de onwillige schutters in januari en februari 1831. III: Het verzet in het land van Maas en Waal en in het Rijk van Nijmegen, art. in: Bijdragen voor de Vaderlandse Geschiedenis en Oudheidkunde, Vde Reeks, 1913.
  • J.W. van Druynen: (Vervolg der) Chronyk van Nijmegen 1819-1840, handschrift, Gemeentearchief Nijmegen, collectie handschriften, inv.nr. 219/220. Ook als Kroniek van Nijmegen 1794-1840 in: Nijmeegsche Nieuwsbode (1875).
  • F. Gorissen:Stede-atlas van Nijmegen, Arnhem 1956.
  • H. Hardenberg:Overzicht der voornaamste bepalingen betreffende de sterkte, samenstelling, betaling, verzorging en verpleging van het Nederlandse Leger sedert de Vrede van Utrecht tot den tegenwoordigen tijd, hoofdzakelijk op voet van vrede. dl. II, 's Gravenhage 1861.
  • H. de Heiden: Voorlopige inventaris van de archiefbescheiden m.b.t. de vesting 1814-1889, Secretariearchief der Gemeente Nijmegen, getypte inventaris, Gemeentearchief Nijmegen 1975.
  • R. van Hoften en F. Jansen:'t Hert is d'r uut, een verhaal over de Nijmeegse knokkultuur tussen 1800 en ± 1940, doctoraalscriptie, Nijmegen 1979.
  • E.H. Kossman:De Lage Landen 1780-1940, Amsterdam/Brussel 1976.
  • M.M.M. de Mol:Voorlopige inventaris van de archiefbescheiden betreffende "Militaire Zaken' 1814-1870 met uitzondering van de vesting. Secretariearchief der Gemeente Nijmegen.
  • Getypte inventaris, Gemeentearchief Nijmegen 1975.
  • Nederlands Patriciaat: Genealogie De Mist, in jrg. 23/1937.
  • Nijmeegsche Courant: jrg. 1830-1839.
  • J. Ooms Pzn. Afscheidsgroet aan het corps jagers van Cleerens bij deszelfs verandering van garnizoen uit Tiel naar Harderwijk, op verzoek van het meerendeel van Tiel's ingezetenen, Tiel 1835.
  • H. Ribbink en T.v.d. Pol: Historiese ontwikkelingen in de gebruikwaarde van volkswoningbouw onderzocht aan de hand van Nijmegen, afstudeerscriptie. Eindhoven 1978. Onuitgegeven.
  • A. en J. Romein: De Lage landen bij de zee, Utrecht 1940, blz. 515 e.v.
  • G.J.A. Schampers: Overzicht van de economische ontwikkeling van Nijmegen in het bijzonder na 1800, getypte scriptie, z.pl. en j. (1950). Onuitgegeven.
  • P.A. Scheen: Lexicon Nederlandse Beeldende Kunstenaars 1750-1950. dl.I, 's-Gravenhage 1969.
  • H.D.J. van Schevichaven:Uit de dagen van 1830 tot en met 1833 (te Nijmegen), art. in: Provinciale Geldersche en Nijmeegse Courant, 1913, 22-30 mei.
  • Els Witte: Politieke machtsstrijd in en om de voornaamste Belgische steden 1830-1848, Brussel 1973.

Verantwoording

Inleiding van de toegang op het archief door L. Verlouw. (1980)



KENNISBANK
Verder graven in de historie van stad en omgeving
FACEBOOK
Op de hoogte blijven van het laatste nieuws van het Huis
EDUCATIE
Projecten en maatwerk voor het onderwijs
VERHALEN
Verteld verleden