header wiki – Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Raadscommissie

Uit Huis van de Nijmeegse geschiedenis

Ga naar: navigatie, zoeken

Raadscommissies houden zich met name bezig met bestuurlijk werk. Er zijn enkele vaste commissies, zoals de financiële commissie maar ook tijdelijke commissies, ad hoc commissies geheten. Vanaf 1964 vormen de commissies een vierde zelfstandig bestuursorgaan.

Soorten commissies begin 19e eeuw[bewerken]

Wat de raadscommissies aangaat, citeren we artikel 33: "De Leden van den Raad worden, bij voorkeur door de Burgemeesteren benoemd tot commissiën het Burgerlijk Bestuur betreffende.”[1] De raadscommissies verrichten veel bestuurlijk werk. Ook in de nieuwe raad komen we bijvoorbeeld weer de financiële commissie tegen. Dit is een vaste commissie, evenals de Commissie inkwartiering en kazerning en de commissie voor de plantagiën, kribwerken en publieke wandelingen. Naast deze drie vaste commissies zijn er nog tal van ad hoc commissies. De bestuurders van deze commissies zijn op verschillende niveaus werkzaam: beleidsvoorbereidend, beleidsbepalend, leidinggevend, controlerend en uitvoerend.

De raadscommissies ondergaan na 1824 enige veranderingen. De burgemeester heeft het recht gekregen commissies uit de gemeenteraad te benoemen, "hetzij tot onderzoek, hetzij tot de behandeling van eene zaak, waartoe de raad mogt hebben besloten", aldus het reglement. [2] Het gaat hier blijkbaar om de ad hoc commissies. In het begin van de 19e eeuw maakten de burgemeesteren deel uit van een aantal commissie. Deze praktijk zetten burgemeester en wethouders voort. Elders in het reglement zijn geen nadere bepalingen te vinden over de vaste commissies. De voornaamste van deze vaste commissies, die van financiën, zien we echter ook in de nieuwe bestuursperiode weer snel opduiken. Hierin kunnen we een bevestiging zien van de financieel-economische zeggenschap die de raad wordt toegedicht. De andere twee vaste commissies, respectievelijk van Inkwartiering en kazernering en van Plantagiën, kribwerken en publieke wandelingen, lijken spoorloos te zijn verdwenen. Mogelijk is dat een teken, dat burgemeester en wethouders het dagelijks bestuur na 1824 wat meer naar zich hebben toegetrokken op de terreinen, waarop deze vaste commissies actief waren.

Commissie van financiën[bewerken]

De belangrijkste commissie is die van financiën. Deze houdt zich bezig met zaken, waaraan -modieus uitgedrukt- 'een prijskaartje hangt'. Daarbij handelt het om zaken van uiteenlopend belang. De commissie buigt zich over de jaarlijkse begroting. Omdat zij weet wat financieel mogelijk en onmogelijk is, mag zij ook een oordeel vellen over verschillende verzoeken om tractementsverhoging. Van haar advies hangt het af of uiteenlopende functionarissen als een tweede stadssecretaris, een klerk, een stadsportier aan de Molenpoort, een politiecommissaris of een stadsdoctor een hoger salaris of een extra gratificatie krijgen. Ook mag de commissie beslissen of onbetaalde rekeningen die particulieren bij de stad hebben uitstaan nog voor betaling in aanmerking komen. Verder houdt de commissie zich bezig met de rekeningen van het Algemeen Armbestuur en in het verlengde daarvan met een reorganisatie van dat bestuur.[3] In dat laatste geval voert de financiële commissie in feite een ad hoc opdracht uit, een situatie die wel vaker voorkomt in het begin van de 19e eeuw. In het tweede kwart van de 19e eeuw zien we dat de financiële commissie de financieel-economische taken van de raad uitvoert. De twee andere commissies zijn die voor de Inkwartiering en kazernering en die voor Plantagiën, kribwerken en publieke wandelingen. Anders dan bij de financiële commissie, waarvan alleen raadsleden deel uitmaken, neemt in elk van deze commissie telkens een van de burgemeesteren deel.

Ad hoc commissies[bewerken]

Van de vaste commissies maken we nu de overstap naar de ad hoc commissies. Voor het oprichten van dergelijke commissies zijn verschillende aanleidingen. De oprichting kan een voortvloeisel zijn van een schrijven van hogerhand, waarin gevraagd wordt om een telling, controle of onderzoek. Als voorbeelden kunnen we geven de commissie voor de financiële situatie van de stad en de commissie benoemd voor de telling der deuren en vensters. Een laatste voorbeeld in dit verband is de benoeming van een raadscommissie die schatters en bijschatters moet aanwijzen voor de uitvoering van een belastingwet. Een aantal ad hoc commissies wordt ingesteld naar aanleiding van de bestuurswijziging in 1816. Zo is er de commissie voor inspectie van de overgedragen stukken van de secretaris van het oude bestuur[4] en de commissie die de Blok zal inspecteren.

De redenen voor het formeren van ad hoc commissies kunnen zeer verschillend zijn. Zo leidt bijvoorbeeld de bemoeienis van de financiële commissie met het Algemeen Armbestuur ertoe, dat er een bijzonder commissie wordt gevormd. Deze heeft als taak zich te buigen over de reorganisatieplannen voor het Algemeen Armbestuur. Er is voorzien in overleg tussen enerzijds die commissie en anderzijds de burgemeesteren die zelf ook een onderzoek instellen naar de plannen voor het Algemeen Armbestuur. Blijkbaar is men niet over een nacht ijs willen gaan. Mogelijk gewichtig en in ieder geval eervol is de taak van de commissies die de ontvangst van koning Willem I en prins Frederik in goede banen mogen leiden.

Opheffing vaste commissies[bewerken]

In het tweede kwart van de 19e eeuw blijft alleen de financiële commissie als vaste commissie bestaan. Zeker het verdwijnen van de commissie voor inkwartiering en kazernering wekt bevreemding. Juist ten tijde van de Belgische Opstand (1830-1839), als in Nijmegen de staat van oorlog heerst, zou een permanente commissie haar diensten hebben kunnen bewijzen.

De raad mag onder voorwaarden ook commissie formeren die burgemeester en wethouders bij de uitvoering van hun taken bijstaan. Van die commissies is echter de burgemeester of een van de wethouders voorzitter. Bovendien is de benoeming van die commissies niet geheel vrij, de raad moet rekening houden met de voordracht van commissieleden door de burgemeester.

Van de vaste commissies blijft de financiële raadscommissie ook vanaf de tweede helft van de 19e eeuw een belangrijke rol spelen. Twee andere vaste commissies die in 1851 gevormd worden zijn die "voor de rekenbaren toestand der Godshuizen binnen Nijmegen" en die "tot het ontwerpen der verordeningen".

Naoorlogse ontwikkelingen[bewerken]

In de jaren voor en na de Tweede Wereldoorlog kent de gemeentewet vaste commissies (commissies van Bijstand en commissies van Voorbereiding) en tijdelijke commissies (ad hoc commissies). De taak van de commissies van Bijstand is het bijstaan van burgemeester en wethouders in het bestuur van de gemeente. Commissies van Voorbereiding buigen zich over kwesties die in de gemeenteraad aan de orde komen. Commissies ad hoc hebben tot taak zich bezig te houden met één bepaalde opdracht.

Tot midden jaren vijftig verandert er weinig op het gebied van de commissies van Bijstand. Na toevoeging van commissies voor respectievelijk Onderwijsaangelegenheden, Sociale aangelegenheden en Subsidie- aangelegenheden, en afschaffing van de commissies voor respectievelijk het Marktwezen en het onderzoek van Belastingreclames, zijn er midden jaren zestig de volgende commissies:

  • Commissie voor de Gemeente-Financiën
  • Commissie voor Subsidie-aangelegenheden
  • Commissie voor Onderwijsaangelegenheden
  • Commissie voor Sociale aangelegenheden
  • Commissie voor Personeelsaangelegenheden
  • Commissie voor Economische aangelegenheden
  • Commissie voor de Openbare Nutsbedrijven
  • Commissie voor de Centrale Vervoersdienst
  • Commissie voor het Gemeentelijk slachthuis
  • Commissie voor Publieke Werken en Stadsontwikkeling

Er is één commissie van Voorbereiding: de commissie voor de Strafverordeningen, ook wel genoemd de commissie tot het ontwerpen der verordeningen, bedoeld bij Art. 197 der Gemeentewet. Art. 197 vervalt op grond van de wijzigingswet, zodat de voorbereidingstaak voor de strafvervolgingen voortaan bij het college van Burgemeester en Wethouders berust. Ad hoc commissies hebben zich bij voorbeeld bezig gehouden met het samenstellen van een rapport over het Slachthuis en een rapport met betrekking tot de aan de Raad uitgebrachte structuurnota (1964). Behalve genoemde raadscommissies, steunend op de gemeentewet, is er nog een aantal commissies, werkzaam binnen het gemeentelijk bestel, deels imperatief, deels facultatief ingesteld door de gemeenteraad of door het college van B. en W..

Wijzigingswet 1964[bewerken]

In 1964 wordt de gemeentewet ingrijpend gewijzigd op het stuk van de commissies. De wijzigingswet van 9 juli 1964 opent de mogelijkheid tot spreiding van het bestuur in een gemeente. Bestuurlijke decentralisatie moet de afstand tussen bestuurders en bestuurden kleiner maken. Naast de bestaande bestuursorganen (gemeenteraad, B. en W. en burgemeester) ontstaat de mogelijkheid van een vierde bestuursorgaan: de commissie. De oude bepalingen met betrekking tot raadscommissies (artt.60-63) worden vervangen door een geheel nieuwe regeling inzake de instelling van commissies (artt.61-64f). De volgende commissies, waarin voortaan ook niet-raadsleden zitting kunnen nemen, zijn vanaf dan mogelijk:

  1. functionele commissies ter behartiging van bepaalde belangen
  2. territoriale commissies (wijkraden) ter behartiging van de belangen van een deel der gemeente
  3. vaste commissies van advies en bijstand aan burgemeester en wethouders
  4. tijdelijke commissies van advies aan burgemeester en wethouders of aan de burgemeester.

Pas in de loop van de jaren zeventig verschijnen de eerste commissies nieuwe stijl. Voorbeelden hiervan zijn de bestuurscommissie Commanderie van St. Jan en de bestuurscommissie De Lindenberg. Beide commissies hebben bestuursbevoegdheid. De commissie Binnengemeentelijke Decentralisatie en de commissie Beroepszaken hebben een adviserende taak. Al deze commissies bestaan uit raadsleden en personen van buiten de gemeenteraad.

Commissies jaren zeventig[bewerken]

In de jaren zeventig zijn er de volgende vaste commissies van advies en bijstand aan burgemeester en wethouders:

  • Commissie Algemene Zaken
  • Commissie Economische Aangelegenheden, Personeelszaken en Recreatie
  • Commissie Financiën en Bedrijven
  • Commissie Onderwijs, Cultuur, Volksgezondheid en subsidieaangelegenheden
  • Commissie Maatschappelijk Welzijn
  • Commissie Ruimtelijke Ordening, Verkeer en Openbare Werken
  • Commissie Woonbeleid

Deelneming van niet-raadsleden aan raadscommissies is als gevolg van de wijzigingswet mogelijk, maar gebeurt vooralsnog niet.

Voetnoten[bewerken]

  1. Raadssignaten, 1816, f. 5 r
  2. Zie artikel 61 van het reglement 1824
  3. Raadssignaten, 1818, f. 124, r.
  4. Raadssignaten, 1816, f. 40 r. Voor de stukken zelf, zie S.A.N. 14/50 delen, nr. 815

Bronnen[bewerken]

  • Gruppelaar, L., 'Lokaal bestuur en stedelijke overheid te Nijmegen, 1816-1851', Gemeentearchief Nijmegen, 1994.
  • Gruppelaar, L., ‘Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1851-1919’, Gemeentearchief Nijmegen, 1994.
  • Gruppelaar, L., ‘Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1919-1945’, Gemeentearchief Nijmegen, 1995.
  • Nabuurs, N., ‘Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1945-1984’, Gemeentearchief Nijmegen, 1996.

Verantwoording[bewerken]

Bewerking van de resultaten van onderzoek, gedaan in de jaren 1994-1996, naar lokaal bestuur en gemeentelijke overheid in Nijmegen door Lisette Kuijper (Regionaal Archief Nijmegen, 2010)


KENNISBANK
Verder graven in de historie van stad en omgeving
FACEBOOK
Op de hoogte blijven van het laatste nieuws van het Huis
EDUCATIE
Projecten en maatwerk voor het onderwijs
VERHALEN
Verteld verleden