header wiki – Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Speelkaartenbelasting

Uit Huis van de Nijmeegse geschiedenis

Ga naar: navigatie, zoeken

Vanaf eind achttiende eeuw werd in Nijmegen en elders in het land belasting op speelkaarten geheven. Een ordonnantie daterend uit het ‘eerste jaar der Bataavsche Vryheid’, leert ons dat het Kwartier van Nijmegen op 1 augustus 1795 besloot tot invoering van een impost op speelkaarten, een speelkaartenbelasting. Volgens artikel 1 van de verordening moest voor een spel gewone kaarten zes stuivers en voor een spel ‘Tarocq’ kaarten twaalf stuivers worden betaald. De ‘zegelklopper’ van het Kwartier kreeg de taak hartenaas te stempelen in tegenwoordigheid van ‘den contrarolleur van het Klein Zegel’. Laatstgenoemde was ook verplicht het aantal gestempelde spellen bij te houden. De kaarten waren vervolgens bij de zegelklopper te koop tegen betaling van de prijs van de kaarten, vermeerderd met de belasting en ‘een quart stuiver ten voordeele van denselven’.

De ordonnantie van 1795 bevatte ook strafbepalingen: iemand die betrapt werd op het bezit van een ongestempeld spel kreeg een boete van vijftig goudguldens. Wie gelegenheid gaf tot het spelen met ongestempelde kaarten kon rekenen op honderd goudguldens boete. Een toevallige bezoeker die de overtreding opmerkte was verplicht de belastingdienst hiervan in kennis te stellen. Deed hij dat niet dan kon hij een boete van 25 goudguldens krijgen. Deed hij dat wel dan wachtte hem als beloning twaalf gulden vijftig. Met ingang van 1 januari 1806 werd tegelijk met de in Holland geheven speelkaartenbelasting ook die in het Kwartier van Nijmegen afgeschaft.

Bronnen[bewerken]

Regionaal Archief Nijmegen, Wetenschappelijke correspondentie, inv.nr. 546-010 (1981-1983); J. Brinkhoff, ‘Impost op speelkaarten’, in: Numaga 30(1983), p. 103-104.


KENNISBANK
Verder graven in de historie van stad en omgeving
FACEBOOK
Op de hoogte blijven van het laatste nieuws van het Huis
EDUCATIE
Projecten en maatwerk voor het onderwijs
VERHALEN
Verteld verleden