Stichting St. Josephscholen te Nijmegen

Uit Het Digitale Huis
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Let op: deze website is momenteel onder constructie. Helaas zullen hierdoor niet alle pagina's naar behoren functioneren. Onze excuses voor het ongemak!

Algemene gegevens
Naam : Stichting St. Josephscholen te Nijmegen
Andere naam (namen):

{{#if: | * [[Andere naam::{{{Andere naam1}}}]]|}} {{#if: | * [[Andere naam::{{{Andere naam2}}}]]|}} {{#if: | * [[Andere naam::{{{Andere naam3}}}]]|}} {{#if: | * [[Andere naam::{{{Andere naam4}}}]]|}}

Bestaansperiode: Beginjaar::1877 - Eindjaar::
Rechtsvorm: Rechtsvorm::Stichting
Voorganger(s):

{{#if: | * [[opvolger van::{{{Voorganger1}}}]]|}} {{#if: | * [[opvolger van::{{{Voorganger2}}}]]|}} {{#if: | * [[opvolger van::{{{Voorganger3}}}]]|}} {{#if: | * [[opvolger van::{{{Voorganger4}}}]]|}}

Opvolger(s):

{{#if: | * [[voorganger van::{{{Opvolger1}}}]]|}} {{#if: | * [[voorganger van::{{{Opvolger2}}}]]|}} {{#if: | * [[voorganger van::{{{Opvolger3}}}]]|}} {{#if: | * [[voorganger van::{{{Opvolger4}}}]]|}}

Hoger orgaan:

{{#if: | Hoger orgaan::|}}

Archief
{{#if: http://studiezaal.nijmegen.nl/ran/_detail.aspx?xmldescid=2126485217%7C Het archief van deze organisatie is in beheer bij het Regionaal Archief Nijmegen. De toegang met de beschrijving van de stukken is bereikbaar via deze link:
|}}

{{#if: | Vindplaats archief:|}}

{{#if: http://studiezaal.nijmegen.nl/ran/_detail.aspx?xmldescid=2126485217%7C
|}}{{#if: http://studiezaal.nijmegen.nl/ran/_detail.aspx?xmldescid=2126485217%7CNaar beschrijving archief|}}{{#if: | |}}

{{#if: Het katholieke lager / basisonderwijs
Na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 werd het voor katholieke congregaties een stuk eenvoudiger om scholen te stichten. Dat was van belang omdat de kerkelijke overheden onderwijs door religieuze broeders en zusters superieur achtten aan onderwijs door leken. Bovendien was het onderwijs een onmisbaar wapen in de katholieke emancipatie.
Omdat de financiële positie van bijzondere scholen ongunstiger was dan die van hun openbare tegenhangers, trokken de Nederlandse katholieken bijna een halve eeuw samen op met de gereformeerden in de schoolstrijd die in 1917 werd beklonken met de onderwijspacificatie: de financiële gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs.
Het gevolg was een enorme groei van het katholieke lager onderwijs. Hierbij speelden nog enkele factoren een rol: de Leerplichtwet 1901 die alle kinderen van zes tot twaalf jaar verplichtte dagonderwijs te volgen; de bevolkingsgroei en in het bijzonder de grote katholieke gezinnen; de massale overstap van leerlingen van het openbaar naar het bijzonder onderwijs. Aangezien de katholieke kerk gemengd onderwijs of co-educatie van jongens en meisjes principieel afwees, ontstonden er afzonderlijke jongens- en meisjesscholen die respectievelijk door broeders en zusters werden geleid.
Omdat mannen zich veel minder dan vrouwen tot het kloosterleven aangetrokken voelden, was de personele positie van broederscholen kwetsbaarder dan die van zusterscholen. Daarom schakelden broeders - met tegenzin, want religieus onderwijs was immers superieur - al in de negentiende eeuw lekenonderwijzers in. Hun inbreng werd groter, omdat de onderwijsparticipatie gestaag toenam: de leerplichtige leeftijd werd verhoogd, terwijl werkgevers hogere eisen stelden aan het opleidingsniveau van hun personeel. Veel jongens gingen niet meteen na de lagere school werken, maar gingen naar vervolgscholen, waaronder het (meer) uitgebreid lager onderwijs (m)ulo dat zoals de naam al zegt wettelijk tot het lager onderwijs werd gerekend, maar wel aan jongeren tot zestien jaar les gaf.
Na de Tweede Wereldoorlog nam het aantal broeders en zusters aanvankelijk geleidelijk, daarna steeds sneller af. Omstreeks 1980 waren religieuzen een uitzondering. Overigens waren ze sinds eind jaren zestig toen zij hun kloosterdracht voor burgerkleding verruilden niet meer als zodanig herkenbaar.
De Mammoetwet uit 1968 reorganiseerde het voortgezet onderwijs dat nog uit de negentiende eeuw stamde. De mulo's werden omgezet in mavo's (middelbaar algemeen vormend onderwijs) en vervolgens opgenomen in brede scholengemeenschappen.
De Wet op het Basisonderwijs maakte in 1984 een einde aan de zelfstandige lagere en kleuterscholen. Zij fuseerden tot basisscholen waar jongens en meisjes (gemengd onderwijs was sinds de jaren zestig standaard) van vier tot twaalf jaar les kregen. In de praktijk werden de kleuterscholen opgenomen in de veel grotere lagere scholen.
Sindsdien is schaalvergroting troef in het onderwijs. Zelfstandige mavo's bestaan niet meer, basisscholen fuseren om te voorkomen dat ze onder de leerlingennorm komen en worden opgeheven.|

Algemene context

Het katholieke lager / basisonderwijs
Na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 werd het voor katholieke congregaties een stuk eenvoudiger om scholen te stichten. Dat was van belang omdat de kerkelijke overheden onderwijs door religieuze broeders en zusters superieur achtten aan onderwijs door leken. Bovendien was het onderwijs een onmisbaar wapen in de katholieke emancipatie.
Omdat de financiële positie van bijzondere scholen ongunstiger was dan die van hun openbare tegenhangers, trokken de Nederlandse katholieken bijna een halve eeuw samen op met de gereformeerden in de schoolstrijd die in 1917 werd beklonken met de onderwijspacificatie: de financiële gelijkstelling van het openbaar en bijzonder onderwijs.
Het gevolg was een enorme groei van het katholieke lager onderwijs. Hierbij speelden nog enkele factoren een rol: de Leerplichtwet 1901 die alle kinderen van zes tot twaalf jaar verplichtte dagonderwijs te volgen; de bevolkingsgroei en in het bijzonder de grote katholieke gezinnen; de massale overstap van leerlingen van het openbaar naar het bijzonder onderwijs. Aangezien de katholieke kerk gemengd onderwijs of co-educatie van jongens en meisjes principieel afwees, ontstonden er afzonderlijke jongens- en meisjesscholen die respectievelijk door broeders en zusters werden geleid.
Omdat mannen zich veel minder dan vrouwen tot het kloosterleven aangetrokken voelden, was de personele positie van broederscholen kwetsbaarder dan die van zusterscholen. Daarom schakelden broeders - met tegenzin, want religieus onderwijs was immers superieur - al in de negentiende eeuw lekenonderwijzers in. Hun inbreng werd groter, omdat de onderwijsparticipatie gestaag toenam: de leerplichtige leeftijd werd verhoogd, terwijl werkgevers hogere eisen stelden aan het opleidingsniveau van hun personeel. Veel jongens gingen niet meteen na de lagere school werken, maar gingen naar vervolgscholen, waaronder het (meer) uitgebreid lager onderwijs (m)ulo dat zoals de naam al zegt wettelijk tot het lager onderwijs werd gerekend, maar wel aan jongeren tot zestien jaar les gaf.
Na de Tweede Wereldoorlog nam het aantal broeders en zusters aanvankelijk geleidelijk, daarna steeds sneller af. Omstreeks 1980 waren religieuzen een uitzondering. Overigens waren ze sinds eind jaren zestig toen zij hun kloosterdracht voor burgerkleding verruilden niet meer als zodanig herkenbaar.
De Mammoetwet uit 1968 reorganiseerde het voortgezet onderwijs dat nog uit de negentiende eeuw stamde. De mulo's werden omgezet in mavo's (middelbaar algemeen vormend onderwijs) en vervolgens opgenomen in brede scholengemeenschappen.
De Wet op het Basisonderwijs maakte in 1984 een einde aan de zelfstandige lagere en kleuterscholen. Zij fuseerden tot basisscholen waar jongens en meisjes (gemengd onderwijs was sinds de jaren zestig standaard) van vier tot twaalf jaar les kregen. In de praktijk werden de kleuterscholen opgenomen in de veel grotere lagere scholen.
Sindsdien is schaalvergroting troef in het onderwijs. Zelfstandige mavo's bestaan niet meer, basisscholen fuseren om te voorkomen dat ze onder de leerlingennorm komen en worden opgeheven. |}}

{{#if: De Stichting Sint Josephscholen werd in 1877 opgericht door de vier pastoors van Nijmegen met het doel lager onderwijs te geven aan katholieke jongens, wier ouders niet in staat waren voor het kind een particuliere school te bekostigen. Op hun verzoek vestigden zich hier enkele Broeders van Maastricht aan het Kelfkensbos. Hoewel gratis armenonderwijs hun hoofddoel was, begonnen zij met een burgerschool (schoolgeld f18) en een tussenschool (f8). Pas toen ze uit die scholen voldoende inkomsten hadden, openden zij in 1885 de armenschool. Samen namen deze drie scholen met hun speelplaatsen een groot deel van het binnenterrein tussen Kelfkensbos, Hertogstraat en Derde Walstraat in beslag. Ze hadden elk een eigen ingang: de burgerschool aan de Hertogstraat, de tussenschool aan het Kelfkensbos en de armenschool aan de Derde Walstraat. De armenschool groeide snel: van nul tot meer dan duizend leerlingen in tien jaar. Dit had te maken met het lage inkomen van de meeste Nijmegenaren, de grote behoefte aan katholiek onderwijs en de snelle groei van de Nijmeegse bevolking (25.000 inwoners in 1875; 40.000 in 1900). Deze groei hing samen met de uitleg van de stad en vond voor een deel plaats in de nieuwe wijk Bottendaal. Hier openden de broeders in 1897 een tweede armenschool. Deze kreeg net als de drie scholen in de oude stad de naam St. Josephschool.
In katholieke kring werd religieus onderwijs - door broeders of zusters - superieur geacht aan onderwijs door leken. Daarom werkten broederscholen het liefst zonder leken, maar al in de negentiende eeuw was dit ideaal onhaalbaar. Na de eeuwwisseling werd het ook steeds moeilijker om voldoende broeders voor kaderfuncties te vinden. In 1917 werden dan ook de eerste leken als schoolhoofd aangesteld: in Bottendaal en op de derde armenschool in de Bottelstraat in de Benedenstad.
De broeders stichtten in de loop van de twintigste eeuw een groot aantal lagere scholen, waarbij ze de verdere stadsuitbreiding van Nijmegen volgden: voor de Tweede Wereldoorlog in de nieuwe arbeiderswijken Waterkwartier (1928), Wolfskuil (1931) en aan de Koninginnelaan (1931, twee scholen, de eerste die niet St. Joseph heette, maar St. Dominicus en St. Thomas). Na de oorlog volgden stichtingen in de nieuwe wijken Hengstdal (1952), de Hatertse Hei (1953), Galgenveld (1955), Heseveld (1956), Hatert (1959), Neerbosch-Oost (1965), en de in oudere wijken Hazenkamp (1959) en Willemskwartier (1954). Behalve in Galgenveld en Hazenkamp waren dit wijken met overwegend sociale woningbouw.
Nadat de broeders lange tijd alleen in het gewoon lager onderwijs hadden gewerkt, werden ze met ingang van 1913 ook in andere onderwijstypen actief. Om te beginnen in het uitgebreid lager onderwijs (ulo, later mulo = meer uitgebreid lager onderwijs) voor jongens van twaalf tot zestien jaar. De eerste ulo, ook weer St. Joseph geheten, werd in 1913 aan de Koolemans Beijnenstraat gehuisvest. Een tweede uloschool volgde in 1925 aan de Schoolstraat in Bottendaal.
In 1922 ging een eigen onderwijzersopleiding open, de kweekschool eveneens aan de Schoolstraat. Deze school belandde na enkele omzwervingen in 1959 als Peter Kaniskweekschool aan de Groenewoudseweg. Daar staat ze nog steeds, zij het dat ze nu Pabo Groenewoud heet en opgenomen is in de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN).
Na de Tweede Wereldoorlog werden de broeders ook actief in het speciaal onderwijs. In 1954 ging de Mgr. Ruttenschool voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden (lom) open en in 1957 de Martinus van Beekschool voor slechthorenden en spraakgebrekkigen.
Ten slotte werd de stichting Sint Josephscholen actief in het middelbaar beroepsonderwijs doordat ze in 1968 de Nijmeegse school voor meao St. Joseph opende (meao = middelbaar economisch en administratief onderwijs).
De geschiedenis van veel scholen die tot de stichting behoorden of behoren, is er een van verhuizingen, fusies, naamswijzigingen, opheffing of overname door andere stichtingen. Zo heeft de kweekschool zich verzelfstandigd, zijn de muloscholen opgegaan in scholengemeenschappen voor voortgezet onderwijs en zijn de scholen voor speciaal onderwijs in 1999 door een afzonderlijke stichting overgenomen.
Ook het gewoon lager onderwijs heeft in dit opzicht zijn deel gehad. Een betrekkelijk simpel voorbeeld is de Constantijn de Groteschool aan de Marie Curiestraat, als katholieke jongensschool gesticht in 1959. In 1971 fuseerde ze met de St. Helenaschool, een door de Franciscanessen van Etten-Leur geleide meisjesschool aan de Celsiusstraat. In 1985 werd de Constantijn de Groteschool een basisschool na een fusie met kleuterschool de Parelschelp aan de Celsiusstraat. In 1992 fuseerde ze met de protestants-christelijke basisschool Prins Bernard en werd uiteindelijk in 1995 omgedoopt tot De Kleine Wereld.

De stichting Sint Josephscholen heeft perioden van groei en stagnatie gekend. In de halve eeuw tussen 1877 en 1924 is het aantal scholen gestaag uitgebreid. Als gevolg van de economische depressie van de jaren dertig, de Tweede Wereldoorlog en de stilstand in de stadsuitbreiding duurde het daarna drie decennia voordat nieuwe scholen hun deuren openden. In de jaren zestig was de stichting op het hoogtepunt van haar macht. Ze bestuurde 29 scholen met 7000 leerlingen en trad ook op als bouwheer namens andere schoolbesturen. In hetzelfde decennium kwam de katholieke zuil onder druk te staan. Voor veel leerkrachten en ouders verloor het geloof zijn vanzelfsprekende betekenis, terwijl ook het aantal broeders gestaag daalde (49 in 1960; 25 in 1970).
In de jaren zeventig kreeg de stichting te maken met de maatschappelijke roep om democratisering en inspraak. Schoolhoofden probeerden hun speelruimte te vergroten, ouders kregen toegang tot het bestuur. Omdat de problematiek per schoolsoort steeds specifieker werd, ging het bestuur eerst met beheerscommissies (bijvoorbeeld voor speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs) werken om in 1989 een professioneel bestuurder, R. Silverentand, aan te stellen.
Door de daling van het geboortecijfer kromp het aantal scholen voor gewoon lager onderwijs dat de stichting Sint Josephscholen bestuurde van 32 in 1970 naar 19 in 1978, terwijl het aantal leerlingen op deze scholen in dezelfde jaren van 7343 naar 3867 daalde. In de jaren tachtig ging de stichting Sint Josephscholen nauwer samenwerken met de andere twee grote schoolbesturen in de stad: de Rosastichting die vooral in Nijmegen-West actief was en de stichting Hatert-Dukenburg. In 1982 voegden zij hun administratiekantoren samen in de Stichting Bureau Bijzonder Onderwijs, gevestigd in het kantoor van de Sint Josephscholen aan het Kelfkensbos. Nadat zich ook schoolbesturen uit de regio hierbij hadden aangesloten, werd deze stichting in 1989 opgevolgd door het Regionaal Onderwijs Bureau Zuid-Gelderland.
In de jaren negentig keerde de stichting Sint Josephscholen terug naar de kerntaak in het basisonderwijs, doordat scholen in het voortgezet, beroeps- en speciaal onderwijs, zoals boven is beschreven, als gevolg van landelijke ontwikkelingen werden afgesplitst.
Scholen: Zie voor een uitputtend overzicht, met inbegrip van fusies en naamswijzigingen: Jos Beke, De Josephscholen, 1877- 2002. Nijmegen 2002, p. 211-221|

Geschiedenis

De Stichting Sint Josephscholen werd in 1877 opgericht door de vier pastoors van Nijmegen met het doel lager onderwijs te geven aan katholieke jongens, wier ouders niet in staat waren voor het kind een particuliere school te bekostigen. Op hun verzoek vestigden zich hier enkele Broeders van Maastricht aan het Kelfkensbos. Hoewel gratis armenonderwijs hun hoofddoel was, begonnen zij met een burgerschool (schoolgeld f18) en een tussenschool (f8). Pas toen ze uit die scholen voldoende inkomsten hadden, openden zij in 1885 de armenschool. Samen namen deze drie scholen met hun speelplaatsen een groot deel van het binnenterrein tussen Kelfkensbos, Hertogstraat en Derde Walstraat in beslag. Ze hadden elk een eigen ingang: de burgerschool aan de Hertogstraat, de tussenschool aan het Kelfkensbos en de armenschool aan de Derde Walstraat. De armenschool groeide snel: van nul tot meer dan duizend leerlingen in tien jaar. Dit had te maken met het lage inkomen van de meeste Nijmegenaren, de grote behoefte aan katholiek onderwijs en de snelle groei van de Nijmeegse bevolking (25.000 inwoners in 1875; 40.000 in 1900). Deze groei hing samen met de uitleg van de stad en vond voor een deel plaats in de nieuwe wijk Bottendaal. Hier openden de broeders in 1897 een tweede armenschool. Deze kreeg net als de drie scholen in de oude stad de naam St. Josephschool.
In katholieke kring werd religieus onderwijs - door broeders of zusters - superieur geacht aan onderwijs door leken. Daarom werkten broederscholen het liefst zonder leken, maar al in de negentiende eeuw was dit ideaal onhaalbaar. Na de eeuwwisseling werd het ook steeds moeilijker om voldoende broeders voor kaderfuncties te vinden. In 1917 werden dan ook de eerste leken als schoolhoofd aangesteld: in Bottendaal en op de derde armenschool in de Bottelstraat in de Benedenstad.
De broeders stichtten in de loop van de twintigste eeuw een groot aantal lagere scholen, waarbij ze de verdere stadsuitbreiding van Nijmegen volgden: voor de Tweede Wereldoorlog in de nieuwe arbeiderswijken Waterkwartier (1928), Wolfskuil (1931) en aan de Koninginnelaan (1931, twee scholen, de eerste die niet St. Joseph heette, maar St. Dominicus en St. Thomas). Na de oorlog volgden stichtingen in de nieuwe wijken Hengstdal (1952), de Hatertse Hei (1953), Galgenveld (1955), Heseveld (1956), Hatert (1959), Neerbosch-Oost (1965), en de in oudere wijken Hazenkamp (1959) en Willemskwartier (1954). Behalve in Galgenveld en Hazenkamp waren dit wijken met overwegend sociale woningbouw.
Nadat de broeders lange tijd alleen in het gewoon lager onderwijs hadden gewerkt, werden ze met ingang van 1913 ook in andere onderwijstypen actief. Om te beginnen in het uitgebreid lager onderwijs (ulo, later mulo = meer uitgebreid lager onderwijs) voor jongens van twaalf tot zestien jaar. De eerste ulo, ook weer St. Joseph geheten, werd in 1913 aan de Koolemans Beijnenstraat gehuisvest. Een tweede uloschool volgde in 1925 aan de Schoolstraat in Bottendaal.
In 1922 ging een eigen onderwijzersopleiding open, de kweekschool eveneens aan de Schoolstraat. Deze school belandde na enkele omzwervingen in 1959 als Peter Kaniskweekschool aan de Groenewoudseweg. Daar staat ze nog steeds, zij het dat ze nu Pabo Groenewoud heet en opgenomen is in de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN).
Na de Tweede Wereldoorlog werden de broeders ook actief in het speciaal onderwijs. In 1954 ging de Mgr. Ruttenschool voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden (lom) open en in 1957 de Martinus van Beekschool voor slechthorenden en spraakgebrekkigen.
Ten slotte werd de stichting Sint Josephscholen actief in het middelbaar beroepsonderwijs doordat ze in 1968 de Nijmeegse school voor meao St. Joseph opende (meao = middelbaar economisch en administratief onderwijs).
De geschiedenis van veel scholen die tot de stichting behoorden of behoren, is er een van verhuizingen, fusies, naamswijzigingen, opheffing of overname door andere stichtingen. Zo heeft de kweekschool zich verzelfstandigd, zijn de muloscholen opgegaan in scholengemeenschappen voor voortgezet onderwijs en zijn de scholen voor speciaal onderwijs in 1999 door een afzonderlijke stichting overgenomen.
Ook het gewoon lager onderwijs heeft in dit opzicht zijn deel gehad. Een betrekkelijk simpel voorbeeld is de Constantijn de Groteschool aan de Marie Curiestraat, als katholieke jongensschool gesticht in 1959. In 1971 fuseerde ze met de St. Helenaschool, een door de Franciscanessen van Etten-Leur geleide meisjesschool aan de Celsiusstraat. In 1985 werd de Constantijn de Groteschool een basisschool na een fusie met kleuterschool de Parelschelp aan de Celsiusstraat. In 1992 fuseerde ze met de protestants-christelijke basisschool Prins Bernard en werd uiteindelijk in 1995 omgedoopt tot De Kleine Wereld.

De stichting Sint Josephscholen heeft perioden van groei en stagnatie gekend. In de halve eeuw tussen 1877 en 1924 is het aantal scholen gestaag uitgebreid. Als gevolg van de economische depressie van de jaren dertig, de Tweede Wereldoorlog en de stilstand in de stadsuitbreiding duurde het daarna drie decennia voordat nieuwe scholen hun deuren openden. In de jaren zestig was de stichting op het hoogtepunt van haar macht. Ze bestuurde 29 scholen met 7000 leerlingen en trad ook op als bouwheer namens andere schoolbesturen. In hetzelfde decennium kwam de katholieke zuil onder druk te staan. Voor veel leerkrachten en ouders verloor het geloof zijn vanzelfsprekende betekenis, terwijl ook het aantal broeders gestaag daalde (49 in 1960; 25 in 1970).
In de jaren zeventig kreeg de stichting te maken met de maatschappelijke roep om democratisering en inspraak. Schoolhoofden probeerden hun speelruimte te vergroten, ouders kregen toegang tot het bestuur. Omdat de problematiek per schoolsoort steeds specifieker werd, ging het bestuur eerst met beheerscommissies (bijvoorbeeld voor speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs) werken om in 1989 een professioneel bestuurder, R. Silverentand, aan te stellen.
Door de daling van het geboortecijfer kromp het aantal scholen voor gewoon lager onderwijs dat de stichting Sint Josephscholen bestuurde van 32 in 1970 naar 19 in 1978, terwijl het aantal leerlingen op deze scholen in dezelfde jaren van 7343 naar 3867 daalde. In de jaren tachtig ging de stichting Sint Josephscholen nauwer samenwerken met de andere twee grote schoolbesturen in de stad: de Rosastichting die vooral in Nijmegen-West actief was en de stichting Hatert-Dukenburg. In 1982 voegden zij hun administratiekantoren samen in de Stichting Bureau Bijzonder Onderwijs, gevestigd in het kantoor van de Sint Josephscholen aan het Kelfkensbos. Nadat zich ook schoolbesturen uit de regio hierbij hadden aangesloten, werd deze stichting in 1989 opgevolgd door het Regionaal Onderwijs Bureau Zuid-Gelderland.
In de jaren negentig keerde de stichting Sint Josephscholen terug naar de kerntaak in het basisonderwijs, doordat scholen in het voortgezet, beroeps- en speciaal onderwijs, zoals boven is beschreven, als gevolg van landelijke ontwikkelingen werden afgesplitst.
Scholen: Zie voor een uitputtend overzicht, met inbegrip van fusies en naamswijzigingen: Jos Beke, De Josephscholen, 1877- 2002. Nijmegen 2002, p. 211-221 |Van deze organisatie is nog geen beschrijving beschikbaar.}}

{{#if: Oorspronkelijk was de taak het stichten en exploiteren van scholen waar jongens van zes tot twaalf jaar (gewoon lager) onderwijs kregen. Deze taak is ongewijzigd gebleven, de doelgroep is de afgelopen eeuw verbreed door tal van externe en interne factoren. Een externe factor was de verhoging van de leerplichtige leeftijd tot 13, later 14 jaar in de jaren dertig tot vijftig van de twintigste eeuw.
Interne factoren waren beslissingen om in nieuwe schooltypen actief te worden:
- Geven van vervolgonderwijs in (m)ulo-scholen voor jongens tot 16 jaar sinds 1913; in mavo- en havoscholen voor jongens en meisjes, 1968-1995;
- Opleiden van jongemannen tot onderwijzer in een kweekschool, 1933- 1970;
- Geven van lager beroepsonderwijs, 1968-1989;
- Geven van speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs, 1955-2002.|

Taken en activiteiten

Oorspronkelijk was de taak het stichten en exploiteren van scholen waar jongens van zes tot twaalf jaar (gewoon lager) onderwijs kregen. Deze taak is ongewijzigd gebleven, de doelgroep is de afgelopen eeuw verbreed door tal van externe en interne factoren. Een externe factor was de verhoging van de leerplichtige leeftijd tot 13, later 14 jaar in de jaren dertig tot vijftig van de twintigste eeuw.
Interne factoren waren beslissingen om in nieuwe schooltypen actief te worden:
- Geven van vervolgonderwijs in (m)ulo-scholen voor jongens tot 16 jaar sinds 1913; in mavo- en havoscholen voor jongens en meisjes, 1968-1995;
- Opleiden van jongemannen tot onderwijzer in een kweekschool, 1933- 1970;
- Geven van lager beroepsonderwijs, 1968-1989;
- Geven van speciaal onderwijs en voortgezet speciaal onderwijs, 1955-2002. |}}

{{#if: De stichting Sint Josephscholen is in 1877 opgericht door de vier pastoors van Nijmegen. Ze is tot 1920 bestuurd door een schoolcommissie en nadien door een bestuur. In beide organen hebben de Nijmeegse pastoors een zware stem gehad. Tussen 1947 en 1960 waren ze zelfs allemaal qualitate qua bestuurslid. Na 1965 speelden zij op een enkeling na geen actieve bestuursrol meer. In reactie op de toenemende wet- en regelgeving in het onderwijs werd in de tweede helft van de jaren zestig een bestuursbureau in het leven geroepen. Dit werd aan het Kelfkensbos gevestigd.
Het stichtingsbestuur bestuurde de aangesloten scholen. Tot eind jaren zestig bestuurde het hele bestuur alle scholen. Daarna kwamen secties tot stand voor afzonderlijke onderwijsvormen.
Sinds 1989 functioneert het bestuur als raad van toezicht en berust de leiding bij een bestuurder die tevens directeur van het bestuursbureau is.|

Organisatie

De stichting Sint Josephscholen is in 1877 opgericht door de vier pastoors van Nijmegen. Ze is tot 1920 bestuurd door een schoolcommissie en nadien door een bestuur. In beide organen hebben de Nijmeegse pastoors een zware stem gehad. Tussen 1947 en 1960 waren ze zelfs allemaal qualitate qua bestuurslid. Na 1965 speelden zij op een enkeling na geen actieve bestuursrol meer. In reactie op de toenemende wet- en regelgeving in het onderwijs werd in de tweede helft van de jaren zestig een bestuursbureau in het leven geroepen. Dit werd aan het Kelfkensbos gevestigd.
Het stichtingsbestuur bestuurde de aangesloten scholen. Tot eind jaren zestig bestuurde het hele bestuur alle scholen. Daarna kwamen secties tot stand voor afzonderlijke onderwijsvormen.
Sinds 1989 functioneert het bestuur als raad van toezicht en berust de leiding bij een bestuurder die tevens directeur van het bestuursbureau is. |}}

{{#if: {{#if:-|locatie periode::-:|}}plaatsnaam::Nijmegen adres::Kelfkensbos 38 {{#if:51.846172,5.870392|locatie in googlemaps|}}
|

Locatie

{{#if:-|locatie periode::-:|}}plaatsnaam::Nijmegen adres::Kelfkensbos 38 {{#if:51.846172,5.870392|locatie in googlemaps|}}
|}} {{#if: |

|}} {{#if: De Stichting Sint Josephscholen werd in 1877 opgericht door de vier pastoors van Nijmegen met het doel lager onderwijs te geven aan katholieke jongens, wier ouders niet in staat waren voor het kind een particuliere school te bekostigen. Op hun verzoek vestigden zich hier enkele Broeders van Maastricht aan het Kelfkensbos. Hoewel gratis armenonderwijs hun hoofddoel was, begonnen zij met een burgerschool (schoolgeld f18) en een tussenschool (f8). Pas toen ze uit die scholen voldoende inkomsten hadden, openden zij in 1885 de armenschool. Samen namen deze drie scholen met hun speelplaatsen een groot deel van het binnenterrein tussen Kelfkensbos, Hertogstraat en Derde Walstraat in beslag. Ze hadden elk een eigen ingang: de burgerschool aan de Hertogstraat, de tussenschool aan het Kelfkensbos en de armenschool aan de Derde Walstraat. De armenschool groeide snel: van nul tot meer dan duizend leerlingen in tien jaar. Dit had te maken met het lage inkomen van de meeste Nijmegenaren, de grote behoefte aan katholiek onderwijs en de snelle groei van de Nijmeegse bevolking (25.000 inwoners in 1875; 40.000 in 1900). Deze groei hing samen met de uitleg van de stad en vond voor een deel plaats in de nieuwe wijk Bottendaal. Hier openden de broeders in 1897 een tweede armenschool. Deze kreeg net als de drie scholen in de oude stad de naam St. Josephschool.
In katholieke kring werd religieus onderwijs - door broeders of zusters - superieur geacht aan onderwijs door leken. Daarom werkten broederscholen het liefst zonder leken, maar al in de negentiende eeuw was dit ideaal onhaalbaar. Na de eeuwwisseling werd het ook steeds moeilijker om voldoende broeders voor kaderfuncties te vinden. In 1917 werden dan ook de eerste leken als schoolhoofd aangesteld: in Bottendaal en op de derde armenschool in de Bottelstraat in de Benedenstad.
De broeders stichtten in de loop van de twintigste eeuw een groot aantal lagere scholen, waarbij ze de verdere stadsuitbreiding van Nijmegen volgden: voor de Tweede Wereldoorlog in de nieuwe arbeiderswijken Waterkwartier (1928), Wolfskuil (1931) en aan de Koninginnelaan (1931, twee scholen, de eerste die niet St. Joseph heette, maar St. Dominicus en St. Thomas). Na de oorlog volgden stichtingen in de nieuwe wijken Hengstdal (1952), de Hatertse Hei (1953), Galgenveld (1955), Heseveld (1956), Hatert (1959), Neerbosch-Oost (1965), en de in oudere wijken Hazenkamp (1959) en Willemskwartier (1954). Behalve in Galgenveld en Hazenkamp waren dit wijken met overwegend sociale woningbouw.
Nadat de broeders lange tijd alleen in het gewoon lager onderwijs hadden gewerkt, werden ze met ingang van 1913 ook in andere onderwijstypen actief. Om te beginnen in het uitgebreid lager onderwijs (ulo, later mulo = meer uitgebreid lager onderwijs) voor jongens van twaalf tot zestien jaar. De eerste ulo, ook weer St. Joseph geheten, werd in 1913 aan de Koolemans Beijnenstraat gehuisvest. Een tweede uloschool volgde in 1925 aan de Schoolstraat in Bottendaal.
In 1922 ging een eigen onderwijzersopleiding open, de kweekschool eveneens aan de Schoolstraat. Deze school belandde na enkele omzwervingen in 1959 als Peter Kaniskweekschool aan de Groenewoudseweg. Daar staat ze nog steeds, zij het dat ze nu Pabo Groenewoud heet en opgenomen is in de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN).
Na de Tweede Wereldoorlog werden de broeders ook actief in het speciaal onderwijs. In 1954 ging de Mgr. Ruttenschool voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden (lom) open en in 1957 de Martinus van Beekschool voor slechthorenden en spraakgebrekkigen.
Ten slotte werd de stichting Sint Josephscholen actief in het middelbaar beroepsonderwijs doordat ze in 1968 de Nijmeegse school voor meao St. Joseph opende (meao = middelbaar economisch en administratief onderwijs).
De geschiedenis van veel scholen die tot de stichting behoorden of behoren, is er een van verhuizingen, fusies, naamswijzigingen, opheffing of overname door andere stichtingen. Zo heeft de kweekschool zich verzelfstandigd, zijn de muloscholen opgegaan in scholengemeenschappen voor voortgezet onderwijs en zijn de scholen voor speciaal onderwijs in 1999 door een afzonderlijke stichting overgenomen.
Ook het gewoon lager onderwijs heeft in dit opzicht zijn deel gehad. Een betrekkelijk simpel voorbeeld is de Constantijn de Groteschool aan de Marie Curiestraat, als katholieke jongensschool gesticht in 1959. In 1971 fuseerde ze met de St. Helenaschool, een door de Franciscanessen van Etten-Leur geleide meisjesschool aan de Celsiusstraat. In 1985 werd de Constantijn de Groteschool een basisschool na een fusie met kleuterschool de Parelschelp aan de Celsiusstraat. In 1992 fuseerde ze met de protestants-christelijke basisschool Prins Bernard en werd uiteindelijk in 1995 omgedoopt tot De Kleine Wereld.

De stichting Sint Josephscholen heeft perioden van groei en stagnatie gekend. In de halve eeuw tussen 1877 en 1924 is het aantal scholen gestaag uitgebreid. Als gevolg van de economische depressie van de jaren dertig, de Tweede Wereldoorlog en de stilstand in de stadsuitbreiding duurde het daarna drie decennia voordat nieuwe scholen hun deuren openden. In de jaren zestig was de stichting op het hoogtepunt van haar macht. Ze bestuurde 29 scholen met 7000 leerlingen en trad ook op als bouwheer namens andere schoolbesturen. In hetzelfde decennium kwam de katholieke zuil onder druk te staan. Voor veel leerkrachten en ouders verloor het geloof zijn vanzelfsprekende betekenis, terwijl ook het aantal broeders gestaag daalde (49 in 1960; 25 in 1970).
In de jaren zeventig kreeg de stichting te maken met de maatschappelijke roep om democratisering en inspraak. Schoolhoofden probeerden hun speelruimte te vergroten, ouders kregen toegang tot het bestuur. Omdat de problematiek per schoolsoort steeds specifieker werd, ging het bestuur eerst met beheerscommissies (bijvoorbeeld voor speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs) werken om in 1989 een professioneel bestuurder, R. Silverentand, aan te stellen.
Door de daling van het geboortecijfer kromp het aantal scholen voor gewoon lager onderwijs dat de stichting Sint Josephscholen bestuurde van 32 in 1970 naar 19 in 1978, terwijl het aantal leerlingen op deze scholen in dezelfde jaren van 7343 naar 3867 daalde. In de jaren tachtig ging de stichting Sint Josephscholen nauwer samenwerken met de andere twee grote schoolbesturen in de stad: de Rosastichting die vooral in Nijmegen-West actief was en de stichting Hatert-Dukenburg. In 1982 voegden zij hun administratiekantoren samen in de Stichting Bureau Bijzonder Onderwijs, gevestigd in het kantoor van de Sint Josephscholen aan het Kelfkensbos. Nadat zich ook schoolbesturen uit de regio hierbij hadden aangesloten, werd deze stichting in 1989 opgevolgd door het Regionaal Onderwijs Bureau Zuid-Gelderland.
In de jaren negentig keerde de stichting Sint Josephscholen terug naar de kerntaak in het basisonderwijs, doordat scholen in het voortgezet, beroeps- en speciaal onderwijs, zoals boven is beschreven, als gevolg van landelijke ontwikkelingen werden afgesplitst.
Scholen: Zie voor een uitputtend overzicht, met inbegrip van fusies en naamswijzigingen: Jos Beke, De Josephscholen, 1877- 2002. Nijmegen 2002, p. 211-221| {{#if: * Regionaal Archief Nijmegen (RAN), archief van de Stichting St. Josephscholen te Nijmegen, 1817-1999, inventarisnummer 201

  • J. Beke, De Josephscholen, 1877- 2002. Nijmegen 2002|

Bronnen

  • Regionaal Archief Nijmegen (RAN), archief van de Stichting St. Josephscholen te Nijmegen, 1817-1999, inventarisnummer 201
  • J. Beke, De Josephscholen, 1877- 2002. Nijmegen 2002

|}} |}}

{{#if: De Stichting Sint Josephscholen werd in 1877 opgericht door de vier pastoors van Nijmegen met het doel lager onderwijs te geven aan katholieke jongens, wier ouders niet in staat waren voor het kind een particuliere school te bekostigen. Op hun verzoek vestigden zich hier enkele Broeders van Maastricht aan het Kelfkensbos. Hoewel gratis armenonderwijs hun hoofddoel was, begonnen zij met een burgerschool (schoolgeld f18) en een tussenschool (f8). Pas toen ze uit die scholen voldoende inkomsten hadden, openden zij in 1885 de armenschool. Samen namen deze drie scholen met hun speelplaatsen een groot deel van het binnenterrein tussen Kelfkensbos, Hertogstraat en Derde Walstraat in beslag. Ze hadden elk een eigen ingang: de burgerschool aan de Hertogstraat, de tussenschool aan het Kelfkensbos en de armenschool aan de Derde Walstraat. De armenschool groeide snel: van nul tot meer dan duizend leerlingen in tien jaar. Dit had te maken met het lage inkomen van de meeste Nijmegenaren, de grote behoefte aan katholiek onderwijs en de snelle groei van de Nijmeegse bevolking (25.000 inwoners in 1875; 40.000 in 1900). Deze groei hing samen met de uitleg van de stad en vond voor een deel plaats in de nieuwe wijk Bottendaal. Hier openden de broeders in 1897 een tweede armenschool. Deze kreeg net als de drie scholen in de oude stad de naam St. Josephschool.
In katholieke kring werd religieus onderwijs - door broeders of zusters - superieur geacht aan onderwijs door leken. Daarom werkten broederscholen het liefst zonder leken, maar al in de negentiende eeuw was dit ideaal onhaalbaar. Na de eeuwwisseling werd het ook steeds moeilijker om voldoende broeders voor kaderfuncties te vinden. In 1917 werden dan ook de eerste leken als schoolhoofd aangesteld: in Bottendaal en op de derde armenschool in de Bottelstraat in de Benedenstad.
De broeders stichtten in de loop van de twintigste eeuw een groot aantal lagere scholen, waarbij ze de verdere stadsuitbreiding van Nijmegen volgden: voor de Tweede Wereldoorlog in de nieuwe arbeiderswijken Waterkwartier (1928), Wolfskuil (1931) en aan de Koninginnelaan (1931, twee scholen, de eerste die niet St. Joseph heette, maar St. Dominicus en St. Thomas). Na de oorlog volgden stichtingen in de nieuwe wijken Hengstdal (1952), de Hatertse Hei (1953), Galgenveld (1955), Heseveld (1956), Hatert (1959), Neerbosch-Oost (1965), en de in oudere wijken Hazenkamp (1959) en Willemskwartier (1954). Behalve in Galgenveld en Hazenkamp waren dit wijken met overwegend sociale woningbouw.
Nadat de broeders lange tijd alleen in het gewoon lager onderwijs hadden gewerkt, werden ze met ingang van 1913 ook in andere onderwijstypen actief. Om te beginnen in het uitgebreid lager onderwijs (ulo, later mulo = meer uitgebreid lager onderwijs) voor jongens van twaalf tot zestien jaar. De eerste ulo, ook weer St. Joseph geheten, werd in 1913 aan de Koolemans Beijnenstraat gehuisvest. Een tweede uloschool volgde in 1925 aan de Schoolstraat in Bottendaal.
In 1922 ging een eigen onderwijzersopleiding open, de kweekschool eveneens aan de Schoolstraat. Deze school belandde na enkele omzwervingen in 1959 als Peter Kaniskweekschool aan de Groenewoudseweg. Daar staat ze nog steeds, zij het dat ze nu Pabo Groenewoud heet en opgenomen is in de Hogeschool van Arnhem en Nijmegen (HAN).
Na de Tweede Wereldoorlog werden de broeders ook actief in het speciaal onderwijs. In 1954 ging de Mgr. Ruttenschool voor kinderen met leer- en opvoedingsmoeilijkheden (lom) open en in 1957 de Martinus van Beekschool voor slechthorenden en spraakgebrekkigen.
Ten slotte werd de stichting Sint Josephscholen actief in het middelbaar beroepsonderwijs doordat ze in 1968 de Nijmeegse school voor meao St. Joseph opende (meao = middelbaar economisch en administratief onderwijs).
De geschiedenis van veel scholen die tot de stichting behoorden of behoren, is er een van verhuizingen, fusies, naamswijzigingen, opheffing of overname door andere stichtingen. Zo heeft de kweekschool zich verzelfstandigd, zijn de muloscholen opgegaan in scholengemeenschappen voor voortgezet onderwijs en zijn de scholen voor speciaal onderwijs in 1999 door een afzonderlijke stichting overgenomen.
Ook het gewoon lager onderwijs heeft in dit opzicht zijn deel gehad. Een betrekkelijk simpel voorbeeld is de Constantijn de Groteschool aan de Marie Curiestraat, als katholieke jongensschool gesticht in 1959. In 1971 fuseerde ze met de St. Helenaschool, een door de Franciscanessen van Etten-Leur geleide meisjesschool aan de Celsiusstraat. In 1985 werd de Constantijn de Groteschool een basisschool na een fusie met kleuterschool de Parelschelp aan de Celsiusstraat. In 1992 fuseerde ze met de protestants-christelijke basisschool Prins Bernard en werd uiteindelijk in 1995 omgedoopt tot De Kleine Wereld.

De stichting Sint Josephscholen heeft perioden van groei en stagnatie gekend. In de halve eeuw tussen 1877 en 1924 is het aantal scholen gestaag uitgebreid. Als gevolg van de economische depressie van de jaren dertig, de Tweede Wereldoorlog en de stilstand in de stadsuitbreiding duurde het daarna drie decennia voordat nieuwe scholen hun deuren openden. In de jaren zestig was de stichting op het hoogtepunt van haar macht. Ze bestuurde 29 scholen met 7000 leerlingen en trad ook op als bouwheer namens andere schoolbesturen. In hetzelfde decennium kwam de katholieke zuil onder druk te staan. Voor veel leerkrachten en ouders verloor het geloof zijn vanzelfsprekende betekenis, terwijl ook het aantal broeders gestaag daalde (49 in 1960; 25 in 1970).
In de jaren zeventig kreeg de stichting te maken met de maatschappelijke roep om democratisering en inspraak. Schoolhoofden probeerden hun speelruimte te vergroten, ouders kregen toegang tot het bestuur. Omdat de problematiek per schoolsoort steeds specifieker werd, ging het bestuur eerst met beheerscommissies (bijvoorbeeld voor speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs) werken om in 1989 een professioneel bestuurder, R. Silverentand, aan te stellen.
Door de daling van het geboortecijfer kromp het aantal scholen voor gewoon lager onderwijs dat de stichting Sint Josephscholen bestuurde van 32 in 1970 naar 19 in 1978, terwijl het aantal leerlingen op deze scholen in dezelfde jaren van 7343 naar 3867 daalde. In de jaren tachtig ging de stichting Sint Josephscholen nauwer samenwerken met de andere twee grote schoolbesturen in de stad: de Rosastichting die vooral in Nijmegen-West actief was en de stichting Hatert-Dukenburg. In 1982 voegden zij hun administratiekantoren samen in de Stichting Bureau Bijzonder Onderwijs, gevestigd in het kantoor van de Sint Josephscholen aan het Kelfkensbos. Nadat zich ook schoolbesturen uit de regio hierbij hadden aangesloten, werd deze stichting in 1989 opgevolgd door het Regionaal Onderwijs Bureau Zuid-Gelderland.
In de jaren negentig keerde de stichting Sint Josephscholen terug naar de kerntaak in het basisonderwijs, doordat scholen in het voortgezet, beroeps- en speciaal onderwijs, zoals boven is beschreven, als gevolg van landelijke ontwikkelingen werden afgesplitst.
Scholen: Zie voor een uitputtend overzicht, met inbegrip van fusies en naamswijzigingen: Jos Beke, De Josephscholen, 1877- 2002. Nijmegen 2002, p. 211-221|

Verantwoording

{{#if: Rob Wolf|Inleiding van de toegang op het archief door Rob Wolf.|}} {{#if:2012|(2012)|}}

|}}


{{#if: 16.1 Basisonderwijs| |}} {{#if: | [[Categorie:]] |}} {{#if: | [[Categorie:]] |}} {{#if: | [[Categorie:]] |}}

{{#if:1064| |}}