header wiki – Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Timmerliedenambt Nijmegen

Uit Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Ga naar: navigatie, zoeken
Algemene gegevens
Naam : Timmerliedenambt Nijmegen
Andere naam (namen):
  • Nijmeegsche gilde der timmerlieden
  • Timmermansambt

Bestaansperiode: 1550 - 1789
Rechtsvorm:
Voorganger(s):

Opvolger(s):

Hoger orgaan:

Archief
Het archief van deze organisatie is in beheer bij het Regionaal Archief Nijmegen. De toegang met de beschrijving van de stukken is bereikbaar via deze link:
Icoon archief.png
Naar beschrijving archief

Algemene context

In de late middeleeuwen verenigden de stedelijke beoefenaars van beroepen zich in groepen, de zogenoemde gilden en ambachten. Dankzij de gilden waren de beroepen en de geleverde kwaliteit beschermd – er was nauwelijks concurrentie mogelijk door mensen van buiten de stad. Een leerling werd, na goedkeuring door het gilde en meestal tegen betaling, bij een gildelid in de praktijk opgeleid. Als hij de status van gezel had bereikt werkte de leerling een aantal jaren in dienst van zijn meester. Na het afronden van een meesterproef kon hij zich meester noemen. Aan toetreding tot een gilde werden diverse eisen gesteld, zo moest een gildelid het Nijmeegse burgerrecht bezitten. Onder anderen Joden en (vanaf 1592) katholieken waren lange tijd uitgesloten.

Het stadsbestuur had zeggenschap over de gilden: het keurde onder andere de reglementen goed en stelde vast hoeveel leden elk gilde mocht tellen. Anderzijds hadden de gilden ook politieke macht. De leden van de belangrijkste gilden vormden samen het Sinter Claesgilde. Zes tot acht vertegenwoordigers hieruit, de Claesmeesters, controleerden het stadsbestuur en mochten voordrachten doen voor de raad. Na de Reductie van Nijmegen werd het Sinter Claesgilde in 1592 buitenspel gezet.

Geschiedenis

Een van de vier grote gilden van Nijmegen was dat van de Timmerlieden. Meerdere ambten of ambachten waren daarin verenigd: timmerlieden, schrijnwerkers, kistenmakers, kuipers, wieldraaiers ('raaimakers'), stoelendraaiers ('wrijters'), beeldsnijders en mandenmakers. Het ambacht van de mandenmakers werd op 15 juni 1746 door de magistraat uit de ambtsbrief gelicht, zodat het mandenmaken toen vrij werd voor allen, ook voor niet-burgers. Het Nijmeegse gilde der timmerlieden, in de stukken doorgaans 'Timmerluydenambt' of 'Timmermansambt' geheten, was evenals de meeste andere gilden van middeleeuwse oorsprong. Het onderhield in de St. Stevenskerk het St. Thomasaltaar en ook een geschilderd glasvenster, 'het glas van de Timmerluyden', dat werd vernield bij de beeldenstorm van 1579 maar hersteld in 1585, toen de stad weer in Spaanse handen was gekomen.

Ook nadat in 1592 de Hervormde godsdienst definitief de heersende was geworden in stad en schependom van Nijmegen, moest het Timmerliedenambt zijn venster in de Stevenskerk blijven onderhouden. Bovendien werd het, op dezelfde wijze als de overige ambten, door de magistraat genoodzaakt, aan gemelde kerk borden met spreuken en een koperen kroon te verschaffen. De timmerlieden gaven zo'n kroon in 1646. Het duurde tien jaar vóór de hoge kosten door de ambtsgenoten waren opgebracht (Inventaris, no. 10).

De namen van de bestuurders zijn ons bekend vanaf het jaar 1550 (Inventaris, no. 1). Hoe de organisatie van het ambt er destijds uitzag, weten wij niet met de gewenste nauwkeurigheid. Wel kan met zekerheid worden gezegd dat het grote timmerliedengilde een aanmerkelijke invloed kon uitoefenen op het stedelijk bestuur: het was immers vanwege zijn grootte behoorlijk vertegenwoordigd in het Sinter Claesgilde, in welks bijzijn het stadsbestuur al zijn besluiten moest nemen. Dit veranderde na de reductie van de stad in 1592: het Sinter Claesgilde werd toen opgeheven en vervangen door een college van gemeenslieden. De Spaansgezindheid van het Sinter Claesgilde werd als voorwendsel te baat genomen om de politieke invloed van de gilden te verminderen. In verband met deze omkeer was omstreeks 1600 een wijziging in het statuut van alle gilden noodzakelijk. Men ziet dan ook, dat in die jaren de gilden stuk voor stuk nieuwe ambtsbrieven uit de handen van de magistraat ontvingen. De nieuwe ambtsbrief van de timmerlieden dateert van 23 augustus 1592. Geleidelijk aan werd in de kring van de ambachten ook de politieke reformatie doorgevoerd. Op 21 juni 1667 bepaalde de magistraat dat slechts Hervormden tot het lidmaatschap en het bestuur van de gilden mochten worden toegelaten (Inventaris, no. 22, fol. 75). Een stuk van dezen inhoud was vermoedelijk ook in bezit van het Chirurgijns college; vgl. de inventaris daarvan, Aanhangsel II, no. 2, stuk no. 27.

In 1798, in de Bataafs-Franse tijd, werden de gilden voor het eerst opgeheven, later werden ze meermalen hersteld en opnieuw opgeheven. Ze verdwenen in Nederland definitief in 1818. De fondsen en bezittingen van de voormalige gilden werden bij Koninklijk Besluit van 1820 geliquideerd: ze kwamen toe aan de stadsbesturen. De gemeente Nijmegen benoemde vervolgens commissarissen voor het beheer van de fondsen en bezittingen.

Organisatie

Vanaf 1592, waarin de nieuwe ambtsbrief werd verleend, is de organisatie van het Timmerliedenambt genoegzaam bekend. Het bestuur bestond uit 8 meesters, te weten 6 oudmeesters en 2 nieuwe meesters. De laatsten waren zij, die in het begin van het lopende rekenjaar tot meesters waren gekozen. De boekhouder, die een oudmeester moest zijn, werd evenals alle andere functionarissen gekozen voor den duur van één jaar. De boekhouder, de jonkmeester en de twee nieuwe meesters vormden samen de 4 meesters 'ter tijt' of 'in der tijt', d.w.z. meesters in functie. De maandelijkse teerdagen met vergaderingen werden (en moesten worden) gehouden in de Stadsherberg of het Stadslogement, op Mariënburg gevestigd in de oude Schuttersdoelen, die in 1692 door de stad voor dit doel aan de gezamenlijke gilden was verhuurd. Het ambtsjaar en het boekjaar der rekeningen begon en eindigde met het feest van de gildepatroon, de Apostel Thomas (21 december) (1). Op dat feest had het aftreden ('afsterven', 'versterven', 'afgaan') plaats van de vier zittende meesters en werden hun opvolgers gekozen. Dan werd ook 'het boek' afgehoord, d.w.z. de jaarrekening van ontvangst en uitgaaf van de boekhouder, ten overstaan van de oude en de nieuwe meesters. Van 15 december 1669 af behoefden de gemene meesters bij het afhoren van de rekening niet meer tegenwoordig te zijn (Inventaris, no. 22, fol. 42).

Onder het nieuwe statuut schijnt de functie van den boekhouder van steeds groter gewicht te zijn geworden. Hij legde nu alleen de jaarrekening over, terwijl dit in de 16e eeuw geschiedde door de gezamenlijke meesters. Vanaf 1653 nam hij ook de meesters en de leerknechten aan. Deze aannemingen, die nu haar karakter van bestuursdaden verloren en niet meer waren dan daden van registratie, moest hij verantwoorden in de jaarlijkse rekeningen van ontvangst en uitgaaf (Inventaris, no. 10, fol. 1). Ook nam de boekhouder op het stadhuis van de kuipers, die zojuist hun meesterproef volbracht hadden, de eed af, waarbij zij zich verplichtten de biertonnen op behoorlijke grootte te zullen maken. Daarnaast voerde hij nog het secretariaat, het penningmeesterschap en het beheer van het archief. Het archief was in 1664, blijkens een aantekening van dat jaar (Inventaris, no. 10, fol.59), geborgen in de 'ambtskist'. Vrij zeker is daaronder te verstaan, de fraai besneden, maar betrekkelijk kleine kist van het Timmerliedenambt, die zich in 1942 nog in het Gemeentemuseum bevond. Zij draagt het jaartal 1653 en is ook wel in dat jaar op last van het gildebestuur vervaardigd, omdat op de voorzijde de meestertekens gesneden zijn van den toenmaals regerende boekhouder Jan Peters en van de meester 'in der tijt' Adriaan van Ee.

(1) H.D.J.van Schevichaven,"De Nijmeegsche ambten en gilden", blz.36, 38 (in: 'Sprokkelingen', Nijmegen 1925) vergist zich wel als hij St. Joseph als patroon van het Timmerliedenambt noemt, verwijzend naar het vaandel van het gilde in het Gemeentemuseum, waarop St. Joseph zou zijn afgebeeld. Dit vaandel is thans onvindbaar. Vermoedelijk heeft Van Schevichaven de afbeelding van St. Thomas voor die van St. Joseph aangezien. De algemene verering van St. Joseph is van jongere datum.

Locatie

-: Nijmegen

Verantwoording

Inleiding van de toegang op het archief door P.C. Boeren. (1942)



KENNISBANK
Verder graven in de historie van stad en omgeving
FACEBOOK
Op de hoogte blijven van het laatste nieuws van het Huis
EDUCATIE
Projecten en maatwerk voor het onderwijs
VERHALEN
Verteld verleden