header wiki – Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Vakcentrales

Uit Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Ga naar: navigatie, zoeken

Definitie[bewerken]

Vakcentrales zijn koepelorganisaties waarbij vakbonden zijn aangesloten, doorgaans vakbonden die ideologisch dezelfde waarden onderschrijven. De verhouding tussen vakcentrales en hun vakbonden is bepalend voor de organisatie van de vakbeweging op lokaal niveau, maar is door de geschiedenis heen zeer verschillend geregeld.

Algemene vakcentrales[bewerken]

De eerste grote Nederlandse vakcentrale, het Nationaal Arbeids-Secretariaat (NAS), werd in 1893 opgericht door een aantal ‘algemene’, dat wil zeggen socialistisch georiënteerde, vakbonden. Binnen deze organisatie behielden zowel de vakbonden als de plaatselijke vakbondsafdelingen grote zelfstandigheid. Het initiatief om plaatselijk een vakcentrale op te richten, een zogenoemd Plaatselijk Arbeids-Secretariaat (PAS), werd aan de afdelingen overgelaten. In 1906 stapten een aantal bonden uit het NAS, omdat ze ontevreden waren over de anarchistische koers van deze organisatie. Samen met de Sociaal-Democratische Arbeiderspartij (SDAP), een politieke partij, richtten zij een nieuwe vakcentrale op, het Nederlands Verbond van Vakverenigingen (NVV). Het oprichten van lokale vakcentrales werd wederom aan de lokale vakbondsafdelingen overgelaten. Deze zogenaamde bestuurdersbonden waren niet zozeer afdelingen van het landelijke NVV, als wel overleg- en samenwerkingsorganen van de vakbondsafdelingen. Het NVV kende geen persoonlijke leden, de werknemers die het vertegenwoordigde waren lid van de vakbonden die bij het NVV waren aangesloten.

R.K. Werkliedenbond[bewerken]

De katholieke vakbonden richtten in 1909 het R.K. Vakbureau op, maar plaatselijk was dit van weinig betekenis, aangezien de vakbondsafdelingen geen koepels mochten oprichten buiten de R.K. Volksbonden en R.K. Werkliedenvereenigingen om. Deze zogenoemde standsorganisaties waren onder de hoede van de geestelijkheid opgericht na de afkondiging van de pauselijke encycliek Rerum novarum (‘Over nieuwe dingen’) en hadden als primair doel het beschermen van het geestelijk en zedelijk peil van de katholieke arbeider. Aanvankelijk waren dit lokale verenigingen, maar rond 1900 vormden zij per bisdom koepels, de diocesane werkliedenbonden. Deze vormden in 1906 op hun beurt een koepel, de Federatie van R.K. Volks- en Werkliedenbonden, een organisatie die uiteindelijk in 1925 fuseerde met het R.K. Vakbureau tot het R.K. Werkliedenverbond (RKWV), waarmee een vakcentrale was ontstaan voor zowel landelijke vakbonden als diocesane standsorganisaties. Na deze fusie hadden de R.K. Werkliedenvereenigingen feitelijk twee functies, namelijk die van lokale afdeling van een diocesane werkliedenbond en die van overlegorgaan van de plaatselijke katholieke vakbondsafdelingen. Anders dan bij het NVV waren de werknemers die het RKWV vertegenwoordigde niet alleen lid van een landelijke (katholieke) vakbond, maar ook van een (plaatselijke) R.K. Werkliedenvereeniging.

Gedwongen samenvoeging[bewerken]

In 1940 werden op last van de Duitse bezetter alle niet-confessionele vakbonden en vakcentrales bij het NVV gevoegd, dat werd omgevormd tot een nationaalsocialistische mantelorganisatie. In 1941 werden ook de confessionele vakbonden en vakcentrales, waaronder het RKWV, bij het NVV gevoegd. In 1942, tenslotte, werd het NVV opgeheven om plaats te maken voor het Nederlands Arbeidsfront (NAF). In 1945, na de bevrijding, werd het NAF alweer opgeheven, werd het NVV opnieuw opgericht en werd in plaats van het RKWV de Nederlandse Katholieke Arbeidersbeweging (KAB) opgericht.

Macht bij de vakcentrales[bewerken]

De werknemers die de KAB vertegenwoordigde waren, anders dan bij het RKWV, niet verplicht lid van zowel een vakbond als een standsorganisatie te zijn. In plaats daarvan waren ze rechtstreeks lid van de KAB, die voor hen bepaalde bij welke vakbond en welke standsorganisatie zij hoorden. De KAB was een sterk centralistische organisatie die naast de kerk en de Katholieke Volkspartij (KVP) een hoofdrol opeiste binnen de katholieke zuil. Op gemeentelijk en parochiaal niveau eisten de afdelingen, ook centrales genoemd, eveneens een hoofdrol op, waardoor vakbondsafdelingen aan belang inboetten.

Ook bij het NVV was de macht van de vakcentrale ten opzichte van de bonden na 1945 groter dan voor de oorlog. Begin jaren vijftig voerde het NVV een grote reorganisatie door bij zijn bonden; de vakbonden van het NVV waren voortaan niet meer georganiseerd per beroepsgroep, maar per bedrijfskolom.

KAB en NKV[bewerken]

Tien jaar later gingen bij de KAB stemmen op een soortgelijke structuurwijziging door te voeren. Dit leidde tot de omvorming van de organisatie, op 1 januari 1964, tot het Nederlands Katholiek Vakverbond (NKV). De omvorming hield meer in dan een overstap naar een bedrijfstakgewijze ordening van de aangesloten vakbonden; de diocesane standsorganisaties werden opgeheven en ook niet-katholieken mochten lid zijn van het NKV. Deze laatste bepalingen hielden in dat het NKV zich, anders dan de KAB, niet wenste te bemoeien met de levensovertuigingen van zijn leden en voor zichzelf geen grote maatschappelijke rol zag weggelegd buiten het behartigen van werknemersbelangen. De afdelingen verloren hierdoor een groot deel van hun maatschappelijke invloed en kregen, net als bij het NVV, het aanzien van overlegorganen voor de besturen van vakbondsafdelingen.

Federatie[bewerken]

In 1972 startte het NVV en het NKV onderhandelingen om samen verder te gaan, wat in 1976 resulteerde in de vorming van een federatie, de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV), en op 1 januari 1982 in een fusie van beide vakcentrales onder dezelfde naam. Op lokaal niveau werden de afdelingen van het NVV en het NKV aangemoedigd hetzelfde proces van federatievorming en fusie te doorlopen, daarbij werd aangedrongen op de vorming van één FNV-afdeling per gemeente.

Opheffing lokale afdelingen[bewerken]

Door vergrijzing en slinkende ledentallen bleek het in de jaren negentig van de twintigste eeuw niet mogelijk in iedere gemeente een afdeling draaiende te houden. Bovendien meende de landelijke organisatie dat door schaalvergroting een efficiëntere dienstverlening bereikt kon worden. Aanvankelijk werden afdelingen daarom aangemoedigd met elkaar samen te gaan, maar in 1999 werd besloten tot geleidelijke opheffing van de afdelingen. Na 2000 bleven er echter, onder hoede van de landelijke organisatie, lokale werkgroepen actief.

Lijst van vakcentrales[bewerken]

Alle vakcentrales waarvan het Regionaal Archief Nijmegen archieven in huis heeft, zijn te vinden in de lijst van vakcentrales.

Bronnen[bewerken]

  • E. Hueting, F. de Jong Edz. en R. Neij, Naar groter eenheid. De geschiedenis van het Nederlands Verbond van Vakverenigingen 1906-1981, Amsterdam 1983.
  • J. Roes (red.), Katholieke arbeidersbeweging. Studies over KAB en NKV in de economische en politieke ontwikkeling van Nederland na 1945, Baarn 1985.
  • S. van der Velden, Werknemers georganiseerd. Een geschiedenis van de vakbeweging bij het honderdjarig jubileum van de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV), Amsterdam 2005.
KENNISBANK
Verder graven in de historie van stad en omgeving
FACEBOOK
Op de hoogte blijven van het laatste nieuws van het Huis
EDUCATIE
Projecten en maatwerk voor het onderwijs
VERHALEN
Verteld verleden