header wiki – Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Belastingdienst

Uit Huis van de Nijmeegse geschiedenis

Versie door RAN114 (overleg | bijdragen) op 10 aug 2017 om 09:29
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

De belastingdienst is in het begin van de 19e eeuw een grote, zelfstandige organisatie. Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw ontstaan er echter spanningen met het Rijk, dat de plaatselijke accijnzen afschaft. Hierdoor krimpt de belastingdienst enorm in. Daarnaast wordt het van een zelfstandige organisatie tot een onderdeel van de secretarie gemaakt.

Geschiedenis[bewerken]

Personeel[bewerken]

Een duidelijk afgescheiden dienst is de dienst belastingen. Deze heeft een behoorlijke omvang. De ambtelijke top bestaat uit de ontvanger der stedelijke belasting en de controleur der stedelijke belasting. Bij de dienst belastingen zijn verder in dienst een hoofdcommies, vijf ontvangers voor het innen van diverse soorten belasting en een aantal lagere belastingambtenaren. Tot die lagere ambtenaren kunnen we ook de cherches rekenen. Zij zijn onder andere belast met het innen van plaatselijke belastingen en met het toezicht houden op de in- en uitvoer van belaste goederen.

De belastingdienst is niet alleen verantwoordelijk voor het innen van de plaatselijke belastingen. Ook de inning van de landelijke belastingen hoort tot de taken van deze dienst. Van deze voor het Rijk geïnde belastinggelden vloeit trouwens een deel weer in de stedelijke kas. Het stadsbestuur heeft er derhalve belang bij dat zowel de plaatselijke als de landelijke belastingen op een juiste wijze worden binnengehaald. Behalve deze hogere en lagere ambtenaren zijn er ook nog 'ambtenaren' (beter: 'officianten') in dienst van de gemeente die een deel van hun werkzaamheden uitvoeren ten behoeve van de belastingdienst. De meters en wegers van kolen en gruis, de turfmeters, de korenmeters, de schatters van het slachtvee en de zakkendragers verrichten meet- en weegwerkzaamheden ten behoeve van de belastingdienst. Veel belastingen komen immers binnen via imposten en accijnzen.

Naast de ambtenaren en 'officianten' zijn er ook nog personen werkzaam voor de belastingen, die geen permanente officiële aanstelling hebben. Zo heeft bijvoorbeeld de commissie voor de telling der deuren en vensters tijdelijk mensen voor het telwerk ingeschakeld. Uiteraard zijn ook de commissieleden zelf - in hun hoedanigheid van lid van deze speciale commissie - in feite voor de belastingen werkzaam. Wat voor de commissie voor de telling der deuren en vensters geldt, gaat eveneens op voor de commissie die schatters en bijschatters mag aanwijzen. In dit verband kunnen we ook de vijf zetters noemen. Dit vijftal wordt op voordracht van de burgemeesteren benoemd. Het college heeft als taak de aanslag vast te stellen voor de grond- en de personele belasting. Het gaat hier om landelijke belastingen.

Politieke spanningen[bewerken]

Doordat onder de belastingdienst zowel nationale als lokale belastingen ressorteren, heeft deze dienst te maken met verschillende politieke en bestuurlijke invloeden. Enerzijds zien we dat door centrale overheidsmaatregelen het Rijk invloed heeft op de gemeentelijke belastingen. Anderzijds zien we dat de lokale bestuurders ook macht hebben. Zij hebben immers het recht uiteenlopende functionarissen van de belastingdienst te benoemen. Daarnaast worden de lokale bestuurders nog gehoord als er veranderingen in het landelijk fiscale regime aanstaande zijn. Er bestond natuurlijk een spanningsveld tussen het Rijk en de belastingdienst, met name tijdens de regeringsperiode van Willem I. Een ander spanningsveld dat in Nijmegen bestaan heeft, bevindt zich op uitvoerend niveau. De belastingambtenaren die werken voor de lokale belastingen proberen hun collega's van de landelijke belastingen in de wielen te rijden en omgekeerd. Competentiestrijd over te innen belastingen is niet beperkt gebleven tot ambtelijke twisten op papier. Belastingambtenaren van de twee sectoren zijn zover in hun 'concurrentiestrijd' gegaan dat zij geweld hebben gebruikt. Is de secretarie een toonbeeld van in ieder geval orde en mogelijk rust, bij de dienst belastingen worden in de periode 1840-1851 zes commiezen gesuspendeerd wegens plichtsverzuim en wangedrag. Twee commiezen worden zelfs tot gevangenisstraf veroordeeld, omdat zij elkaar hebben toegetakeld.

Uitbreiding personeel[bewerken]

De dienst plaatselijke belastingen is in de tweede helft van de 19e eeuw een groot onderdeel van het gemeentelijk apparaat met meer dan 30 bezoldigde en verder nog vijf onbezoldigde ambtenaren. Op 1 januari 1856 wordt een heffing op het gemaal ingevoerd, waardoor de dienst belastingen een verdere uitbreiding krijgt: er komt een tijdelijke ontvanger in de buitenwijken bij en er worden twaalf onbezoldigde commiezen ter recherche bij de plaatselijke belastingen aangesteld.[1]

Inkrimping belastingdienst[bewerken]

In 1865 worden bij wet van 7 juli alle plaatselijke accijnzen afgeschaft. Dit leidt tot een geheel andere financiële verhouding tussen het Rijk en de gemeenten. Gesteld mag worden dat de in 1851 groter geworden gemeentelijke zelfstandigheid een kleine vijftien jaar later al ernstig aangetast wordt door de grotere financiële afhankelijkheid als gevolg van de wet van 7 juli 1865.

Als gevolg van deze door het Rijk verordonneerde wijzigingen in het belastingstelsel in 1866 vinden grote veranderingen bij de Nijmeegse belastingdienst plaats. De dienst moet inkrimpen door het wegvallen van de lokale heffingen van accijnzen. De Nijmeegse dienst telt vanaf 1866 telt slechts een controleur en drie commiezen, de andere functies vervallen. Het personeel wordt deels overgeplaatst naar de rijksbelastingen, deels naar onderdelen van de gemeentelijke organisatie, terwijl voor de overige functionarissen wachtgeld en ontslag resten. Degenen die bij de belastingen blijven, hebben aan hun werk voor de fiscus niet allemaal een dagtaak. De controleur der plaatselijke belastingen krijgt in de loop der tijd tevens functies als boekhouder bij het overvaartveer en als secretaris-boekhouder bij de gemeentelijke gasfabriek. Een van de commiezen gaat tevens de functies vervullen van collecteur van het haven- en kadegeld en van haven- en kademeester binnen de stad. Ondanks deze 'opvulling' van taken blijft er bij de dienst overcapaciteit bestaan.

In 1880 wordt een vacature als commies bij de plaatselijke belastingen niet ingevuld en worden zijn taken bij andere gemeentelijke functionarissen ondergebracht. In 1883 wordt ook de functie van controleur opgeheven. De vrijkomende gelden worden deels gebruikt om de boekhouder van de gasfabriek een hogere jaarwedde te geven.

De belastingdienst is klein geworden. Een van de commiezen wordt niet langer commies genoemd, hij wordt nog slechts aangeduid als collecteur van het haven- en kadegeld. De ander blijft wel commies heten, voluit wordt hij vermeld als 'commies bij de plaatselijke belastingen, tevens belast met de beteekening der vervolgingsstukken'. In latere jaren wordt zijn functie nog welluidender: 'commies bij de plaatselijke belastingen, tevens belast met de beteekening der stukken betreffende vervolging ter invordering voor plaatselijke belastingen en de ten uitvoerlegging van dwangbevelen'. Waarschijnlijk vervult hij niet meer dan een halve-tijdsfunctie gezien de geringe hoogte van zijn jaarwedde.

Onderdeel secretarie[bewerken]

De belastingdienst is intussen nauwelijks een zelfstandige organisatorische eenheid meer. De dienst belasting heeft vanaf het midden van de 19e eeuw een ontwikkeling doorgemaakt van zelfstandige dienst naar secretarie-afdeling.


Het personeelsbestand bestaat gedurende het grootste deel van deze periode uit acht personen. Een van de klerken heeft een afwisselende functie: hij is niet alleen klerk bij de afdeling belasting, maar ook is hij 's zomers opzichter van de gemeentelijke bad- en zweminrichting. De gemeentelijke belastingen hebben in het begin van de 20e eeuw weer een veer moeten laten. Bracht in de vorige periode het jaar 1866 de afschaffing van de plaatselijke accijnzen, de instelling van het Gemeentefonds in 1929 betekent het einde van de gemeentelijke inkomstenbelastingen.[2] Per 1 mei 1931 komt er voor de gemeente Nijmegen een einde aan deze belangrijke inkomstenbron.[3]

Per 1 maart 1947 wordt de afdeling Belastingen met de onderafdeling Financiën samengevoegd tot de afdeling Financiën en Belastingen van het secretarie. De zorg voor het personeel wordt onttrokken aan de afdeling Financiën en opgedragen aan een aparte afdeling Personeelszaken. Het personeelsbestand neemt sterk toe en er ontstaan nieuwe inzichten op het gebied van personeelszorg. Het werkgebied van de nieuwe afdeling omvat naast de traditionele taken ook de sociale personeelszorg. Eind jaren vijftig komt er een maatschappelijk werkster voor het gehele gemeentepersoneel en worden twee taakanalisten/beoordelingsdeskundigen aangetrokken.

Taken[bewerken]

De gemeentelijke overheid heeft op het gebied van belastingen een dubbele taak. Zij speelt een rol bij het innen van de rijksbelastingen, maar heeft tevens het recht zelf belastingen te heffen. Na beëindiging van de Tweede Wereldoorlog stelt de regering een tweetal commissies in met het oog op een herziening van de gemeentelijke belastingen. De rapporten die deze commissies in de jaren vijftig en zestig uitbrengen leiden uiteindelijk tot de Wet van 24 december 1970 tot wijziging van de bepalingen inzake gemeentelijke en provinciale belastingen. Hoofdzaak hierbij is verruiming van het gemeentelijk belastinggebied en verbetering van de formeelrechtelijke regeling ten aanzien van de heffing en invordering van gemeentelijke belastingen. In deze wet wordt aan gemeenten de bevoegdheid toegekend een belasting op onroerend goed te heffen. Bovendien vervalt een aantal verouderde belastingen die toch niet meer worden geheven en wordt een aantal belastingen aangepast.

In zijn vergadering van 9 maart 1972 besluit de Raad tot invoering van de onroerendgoedbelastingen. Deze is onderverdeeld in een eigenaarheffing, de opvolger van de grond- en straatbelasting en de gebruikersheffing, welke onder meer de personele belasting vervangt.

Voetnoten[bewerken]

  1. gemeenteverslag, 1856, p. 10, 11.
  2. Voor een korte samenvatting van de geschiedenis van de gemeentelijke belastingen zie Schroot, J.C. e.a., Begrip van de Nederlandse gemeente. Deel IV Het financieel bestuur. toezicht en controle. Gemeenterecht in ontwikkeling, Alphen aan den Rijn 1980, pp. 71 e.v. Voor de gevolgen van de instelling van het gemeentefonds voor Nijmegen, zie Gastel, M. van, De S.D.A.P.-Gemeentepolitiek Nijmegen van 1927 tot 1936 (scriptie GAN), St. Oedenrode 1975, pp. 51 e.v.
  3. Gemeenteverslag, 1931, p. 31.

Bronnen[bewerken]

  • Gruppelaar, Leon, 'Lokaal bestuur en stedelijke overheid te Nijmegen, 1816-1851' (Gemeentearchief Nijmegen, 1994).
  • Gruppelaar, Leon, ‘Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1851-1919’ (Gemeentearchief Nijmegen, 1994).
  • Gruppelaar, Leon, ‘Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1919-1945’ (Gemeentearchief Nijmegen, 1995).
  • Nabuurs, Nel, ‘Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1945-1984’ (Gemeentearchief Nijmegen, 1996).

Verantwoording[bewerken]

Bewerking van de resultaten van onderzoek, gedaan in de jaren 1994-1996, naar lokaal bestuur en gemeentelijke overheid in Nijmegen door Lisette Kuijper (Regionaal Archief Nijmegen, 2010)


KENNISBANK
Verder graven in de historie van stad en omgeving
FACEBOOK
Op de hoogte blijven van het laatste nieuws van het Huis
EDUCATIE
Projecten en maatwerk voor het onderwijs
VERHALEN
Verteld verleden