header wiki – Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Commissie inkwartiering en kazerning

Uit Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Versie door RAN114 (overleg | bijdragen) op 14 okt 2019 om 15:07
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken

Taken[bewerken]

Voor inkwartiering en kazernering bestaat een vaste raadscommissie. De tweede burgemeester maakt deel uit van deze commissie. Bovendien heeft de tweede burgemeester de taak zich bezig te houden met "de surveillance der inkwartieringen en militaire casernen". Binnen het ambtelijk apparaat is de tweede secretaris speciaal met dit werkterrein belast. De raad en de burgemeesteren benoemen beurtelings een kazernemeester en assistent-kazernemeester, die zich bezig moeten houden met uitvoerende taken.[1] Het werkgebied heeft twee terreinen. Allereerst is er de inkwartiering. De raadscommissie draagt zorg voor de billettering: zij wijst de huizen aan, die geschikt worden geacht voor inkwartiering. [2]De tweede taak betreft de kazernering: het zorgen dat de foerage goed verloopt èn dat de daarvoor gemaakte kosten verhaald en vergoed worden.

Het feit dat Nijmegen tegelijkertijd vesting en stad is, geeft aanleiding tot belangenverstrengelingen en competentiekwesties. Goede en duidelijke afspraken zijn nodig. Zo wordt de aanstelling van poortwachters in onderling overleg geregeld. Moet er iets gedaan worden aan muren en wallen, dan gebeurt dat in samenspraak van de commissie van de plantagiën met de legerofficieren. De bouwvoorschriften van huizen aan de rand van de vestingstad zijn speciaal afgestemd op de militaire wensen.[3] Een laatste voorbeeld tot slot: het bleken op de stadswallen is een gebruik dat de militairen niet wenselijk achten. Zij wensen dat het stadsbestuur hier actie tegen onderneemt. In het begin van de 19e eeuw blijven inkwartiering en kazernering belangrijke werkterreinen van het Nijmeegse stadsbestuur.[4] Enkele veranderingen vinden plaats. De vaste commissie voor kazernering en inkwartiering verdwijnt uit beeld. In 1827 worden de werkzaamheden van de kazernemeester en diens assistent ingekrompen.[5] Mogelijk als gevolg daarvan vervalt na 1827 de functie van assistent-kazernemeester.

Oorlogstoestand[bewerken]

De kazernemeester moet zijn zaken in zijn eentje zien te rooien, ook in de militair roerige jaren dertig van de negentiende eeuw. In 1830 begint namelijk met de Belgische Revolutie (1830-1839) een tijd dat, voor de vestingstad Nijmegen de oorlogstoestand geldt. Een eerste gevolg, al in augustus 1830, is het oprichten van een wagenpark voor troepenverplaatsingen. Zoals dat ook geldt voor aanschaf van ander materieel, draagt de stad daar zorg voor. Geheel volgens gewoonte dient het stadsbestuur vervolgens een declaratie voor gemaakte kosten in bij het Ministerie van Oorlog. Wederom volgens geijkte patronen is het dan wachten op geld van de rijksoverheid. Om een voorbeeld te geven: op vergoeding van de kosten gemaakt in augustus 1830 moet Nijmegen liefst tot 1839 wachten. Behalve grote financiële lasten voor de stad, heeft de oorlogstoestand nog andere consequenties. Meer troepen, waaronder schutterijen uit andere delen van het land, verblijven binnen de vestingmuren. Ruim 2000 manschappen worden bij de burgerij ingekwartierd. In de toch al overvolle stad komt nog een houten loods om 450 manschappen te huisvesten en er worden tijdelijke stallen gebouwd voor 150 paarden. Dat alles uiteraard in eerste instantie op kosten van de stad! De kazernemeester intussen doet zijn plicht. De stad beloont hem voor zijn geduld en ijver met een extra gratificatie.[6]

In deze oorlogsjaren moet de stad zorg dragen voor meer dan het dubbele aantal manschappen dan in vredestijd. In zijn verslag over de jaren 1830-1839 klaagt de eerste secretaris dan ook niet zonder reden : "Er is zeker geen onderwerp van Stedelijke Administratie dat aan het dagelijksch bestuur gestadig meer zorg verwekt,- dat op Stadskas zwaarder drukt,- dat voor de Regering met de beste gezindheid tot genoegen geven evenswel ondankbaarder is,- als het verschaffen van middelen van huisvesting van het Garnisoen."[7]

De uitgaven voor kazernering bedragen in de jaren 1830-1839 gemiddeld f 8800,- per jaar en in de periode 1840 tot en met 1850 f 5700,-. Deze uitgaven worden overtroffen door inkomsten die direct en indirect (belastingen) in verband staan met het garnizoen. Toch stelt het stadsbestuur dat de status van vestingstad Nijmegen veel geld kost, vooral door indirecte kosten van de militaire aanwezigheid. Het is de vraag, of het hier gaat om ritueel geklaag, of dat inderdaad de kosten van het garnizoen groter waren dan de baten.

Voetnoten[bewerken]

  1. De Raadssignaten, 1816, f. 46 v.,
  2. S.A.N., 243, Verbaal Handelingen Burgemeesteren 1816, f. 104 r.
  3. Verbaal Handelingen Burgemeesteren, 1816, f. 114 r., f. 114 v.
  4. Voor uitgebreide informatie zie S.A.N., seriedelen 251, Verbaal Handelingen B&W, f. 102 v.
  5. Raadssignaten, 1827, f. 42 v.
  6. Raadssignaten 1832, f. 32 r.
  7. Raadssignaten, 1839, f. 118 v

Bronnen[bewerken]

  • Gruppelaar, L., Lokaal bestuur en stedelijke overheid te Nijmegen, 1816-1851, Gemeentearchief Nijmegen, 1994.

Verantwoording[bewerken]

Bewerking van de resultaten van onderzoek, gedaan in de jaren 1994-1996, naar lokaal bestuur en gemeentelijke overheid in Nijmegen door Lisette Kuijper (Regionaal Archief Nijmegen, 2010)

KENNISBANK
Verder graven in de historie van stad en omgeving
FACEBOOK
Op de hoogte blijven van het laatste nieuws van het Huis
EDUCATIE
Projecten en maatwerk voor het onderwijs
VERHALEN
Verteld verleden