header wiki – Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Gemeente Nijmegen: verschil tussen versies

Uit Huis van de Nijmeegse geschiedenis

Ga naar: navigatie, zoeken
k
 
Regel 132: Regel 132:
  
 
==Bronnen==
 
==Bronnen==
*Gruppelaar, L., 'Lokaal bestuur en stedelijke overheid te Nijmegen, 1816-1851', Gemeentearchief Nijmegen, 1994.
+
*Gruppelaar, L., ''Lokaal bestuur en stedelijke overheid te Nijmegen, 1816-1851'', Gemeentearchief Nijmegen, 1994.
*Gruppelaar, L., 'Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1851-1919', Gemeentearchief Nijmegen, 1994.
+
*Gruppelaar, L., ''Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1851-1919'', Gemeentearchief Nijmegen, 1994.
*Gruppelaar, L., 'Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1919-1945', Gemeentearchief Nijmegen, 1995.
+
*Gruppelaar, L., ''Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1919-1945'', Gemeentearchief Nijmegen, 1995.
*Nabuurs, N., 'Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1945-1984', Gemeentearchief Nijmegen, 1996.
+
*Nabuurs, N., ''Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1945-1984'', Gemeentearchief Nijmegen, 1996.
  
 
==Verantwoording==
 
==Verantwoording==
 
{{Verantwoording bestuursgeschiedenis}}
 
{{Verantwoording bestuursgeschiedenis}}
 
<br style="clear:both;" />
 
== Commentaar ==
 
<comments hideForm="false"/>
 
of, lees [[Talk:{{PAGENAME}}|de overige commentaren ...]]
 
  
 
[[Categorie: 01 Openbaar bestuur]]
 
[[Categorie: 01 Openbaar bestuur]]

Huidige versie van 11 okt 2019 om 13:39

Vanaf 1230 heeft Nijmegen stadsrechten, maar pas vanaf de Bataafs-Franse tijd heeft de gemeentevorming in Nijmegen echt plaats gevonden. Een reeks gemeentewetten in de 19e eeuw zorgde voor een grondige vernieuwing van de lokale overheid. Met name de gemeentewet van 1851 legde de grondslag voor het moderne lokale bestuur, waarbij gemeentelijke autonomie en democratisering sleutelwoorden waren.

Geschiedenis[bewerken]

Middeleeuwse stad[bewerken]

Nijmegen krijgt zijn stadsrechten in 1230 van de Rooms-koning Hendrik VII en wordt daarmee een Rijksstad en behoort tot de Hanze. Het jaar 1592, waarin Nijmegen tengevolge van de herovering door Maurits vestingstad der Republiek werd, sluit de zelfstandige groei af van de voormalige Rijksstad en bedrijvige Hanzestad. Nijmegen ging zich op de duur schikken in haar rol van garnizoensstad, waarvan de betekenis afnam naarmate de tijden rustiger werden. Als gevolg van de Reductie werd Nijmegen definitief staats en vonden er ingrijpende veranderingen ten aanzien van het stedelijk bestuursapparaat plaats, waarbij de oude middeleeuwse instellingen, die tot dan toe vrijwel onbelemmerd hadden voortbestaan, met één slag werden opgeheven. In de late middeleeuwen was Nijmegen onder invloed van de hertogen van Gelre, maar in de 15e eeuw werd het hertogdom veroverd door de Bourgondiërs, waardoor de vrijheid van Nijmegen en andere Gelderse steden flink werd ingeperkt. De echte gemeentevorming vond pas plaats na de Bataafs-Franse tijd.

Invloed Bataafs-Franse tijd[bewerken]

Naast de irritaties bracht de Franse tijd in Nederland niet alleen maar kommer en kwel. Er ontstond landelijke wetgeving op het gebied van onderwijs, rechtspraak en vele andere gebieden. Enkele principes en grondrechten werden in deze tijd voor het eerst vastgelegd, zoals staatseenheid, gelijkheid van iedereen voor de wet, scheiding van kerk en staat en scheiding van bestuur en rechtspraak.

Na Napoleons nederlaag in 1813 volgen nieuwe reglementen voor het lokaal bestuur. In Nijmegen verschijnt dit reglement op 2 januari 1816. Deze reglementen staan in grote continuïteit met de Franse tijd. Zo is er geen sprake meer van stadhouders, decentralisatie en particularisme, maar van centralisatie. Daarnaast zijn lokaal bestuur en rechtspraak, evenals in de Franse tijd, gescheiden. Het oude onderscheid tussen stedelijke en plattelandsbesturen blijft echter wel bestaan. Het reglement van 1816 maakte in Nijmegen een einde aan een bestuurlijk intermezzo waarin eerst de leden van een Provisioneel Bestuur en vervolgens de herstelde burgemeester en raad de touwtjes in handen hebben. Het staat in ieder geval vast dat de invloed van de centrale overheid op een groot aantal gebieden sterker wordt.

Reglement 1816[bewerken]

Anders dan na 1851, wanneer er een duidelijke scheiding komt tussen college en raad, is er in 1816 geen politiek verschil tussen gemeenteraad en burgemeesteren. Er bestaat geen strikt onderscheid tussen een uitvoerend en een controlerend orgaan. De leden van de raad worden de eerste keer door de koning aangesteld en wel voor het leven. Opengevallen plaatsen worden opgevuld door het kiescollege. Door de benoeming voor het leven is er nauwelijks sprake van een rotatie van politieke ambten. Ook dat komt het democratisch gehalte niet ten goede.

Reglement 1824[bewerken]

In de jaren 1824-1825 komen er nieuwe regeringsreglementen voor de inrichting van het lokaal bestuur. In vergelijking met 1815-1816 komt er in de jaren 1824-1825 een veel grotere uniformiteit tussen de verschillende reglementen. Alle steden in de noordelijke provinciën, uitgezonderd Amsterdam, krijgen een lokaal bestuur dat volgens hetzelfde model is ingericht. Wel blijft het grote onderscheid tussen steden en plattelandsgemeenten bestaan. Steden en plattelandsgemeenten houden ieder een eigen bestuursorganisatie en ook de staatsrechtelijke positie van de inwoners blijft verschillend. In de steden hebben de burgers enige invloed op de gang van zaken, op het platteland ontbreekt die bijna volledig.

Wat zijn nu de kenmerkende veranderingen voor de steden en dus ook voor Nijmegen? Een eerste verschil is dat de gemeenteraad één lid minder telt, behalve in periodes dat een burgemeester van buiten de raad wordt benoemd. Als een tweede vernieuwing kunnen we de eis beschouwen, dat twee raadsleden uit de buitengebieden dienen te komen. Een derde verandering is de vervanging van het college van burgemeesteren door één burgemeester en twee wethouders. Ondanks deze naamswijziging is het idee van een collegiaal bestuur gehandhaafd. Evenals dat in de jaren 1816-1824 geldt voor de eerste burgemeester ten opzichte van de andere twee burgemeesteren, is nu de burgemeester te midden van de twee wethouders primus inter pares. Afgezien van enkele benoemingsrechten heeft hij niet duidelijk meer bevoegdheden dan de wethouders. Deze blijven samen met hem het dagelijks bestuur van de stad vormen.

Gemeentewet 1851[bewerken]

De periode na 1851 is bestuurlijk duidelijk een nieuw tijdvak. In plaats van de reglementen van 1816 en 1824 komt er een andere basis voor het lokale bestuur. De grondwet van 1848 en de uitwerking daarvan in de gemeentewet van 1851 vormen de grondslagen van het moderne lokale bestuur. De geschiedenis heeft bewezen dat deze grondslagen hechte fundamenten zijn. De gemeentewet van 1851 heeft tot in onze tijd grotendeels de tand des tijds doorstaan[1] en, wat nog belangrijker is, de wet heeft in de praktijk goed voldaan.[2]

Welke vernieuwingen brengt de gemeentewet van 1851? De hier opgesomde verschillen vormen de kern van de veranderingen:[3]

  • verdwijning van het onderscheid tussen stedelijk en plattelandsbestuur
  • directe verkiezing van de gemeenteraadsleden die niet voor het leven maar voor een bepaald aantal jaren zitting nemen in de gemeenteraad
  • autonomie: aan de gemeenteraad behoort de regeling en het bestuur van de huishouding van de gemeente
  • primaat van de raad die als eerste macht in het gemeentebestuur aan het hoofd van de gemeente staat
  • verdwijning naar het tweede plan van het college van burgemeester en wethouders
  • komst van een derde bestuursorgaan in de persoon van de burgemeester. Het Nijmeegse bestuur bestaat nu uit de gemeenteraad, het college van burgemeester en wethouders en de burgemeester als apart orgaan.
  • onderwerping van raadsbesluiten, in het bijzonder van burgerlijke rechtshandelingen, aan de goedkeuring van Gedeputeerde Staten, voor zover de wet dat bepaalt.

Democratisering[bewerken]

De gemeentewet zorgt voor meer democratie en minder centralisme. Het democratisch gehalte wordt versterkt door de afschaffing van de kiescolleges en door de verlaagde census. Het principe van het censuskiesrecht blijft weliswaar gehandhaafd, maar door te kiezen voor een census die de helft bedraagt van die voor de verkiezingen van de Tweede Kamer wordt deelname aan het lokale politieke leven gestimuleerd. In 1887 wordt het kiesrecht verder versoepeld, er komt dan een kiesrecht op basis van geschiktheid en welstand. De vervanging van het raadlidmaatschap ad vitam door een voor bepaalde tijd is nog een belangrijke stimulans voor een levendige lokale democratie. De zittingstijd van de raadsleden wordt op zes jaar bepaald, een derde treedt om de twee jaar af.

De nadruk die de wet legt op de gemeentelijke autonomie is een duidelijke breuk met het centralisme uit de periode ervóór. In de tijd van Willem I heeft het lokale bestuur immers aan de ketting van diens koninklijke-besluiten-regering gelegen. Natuurlijk blijven de gemeenten na 1851 een deel van een groter geheel en kan er van volledige autonomie geen sprake zijn. De gemeentewet biedt echter waarborgen voor de competentiedeling tussen lagere en hogere overheden. Veranderingen daarin kunnen niet langer geschieden door eigenmachtig koninklijk ingrijpen van bovenaf, maar alleen via de democratische weg van de wetgevende macht.

Tweede Wereldoorlog[bewerken]

Een verordening die grote consequenties heeft voor het gemeentebestuur is de verordening van 10 augustus 1941. Daarin wordt onder andere bepaald dat per 1 september 1941 de werkzaamheden van de gemeenteraad en de colleges van B. en W. moeten rusten. Tevens worden, krachtens dezelfde verordening, de werkzaamheden van de gemeentelijke commissies opgeschort, een maatregel die per 28 september 1941 van kracht wordt.[4]De taken van de opgeheven gemeentelijke organen worden waargenomen door de burgemeester. In de praktijk blijkt het gevolg van de verordening wèl het einde van de gemeenteraden, maar niet van de colleges van B. en W. Daartoe aangezet door Frederiks blijven de burgemeesters met hun wethouders vergaderen, ook te Nijmegen. De komst van NSB burgemeester Van Lokhorst in 1943 betekent het einde van die praktijk. Nog enkel maanden vinden vergaderingen van het college plaats, waarna de NSB-burgemeester op een nieuwe wijze de gemeente gaat besturen. Vanaf mei 1943 houdt Van Lokhorst een nieuw soort bijeenkomsten. Aanwezig daarbij zijn de hoofden van de secretarie-afdelingen, de directeuren van de verschillende diensten en bedrijven, alsmede de wethouders. Aangezien de burgemeester iemand is die het leidersprincipe tot de dagelijkse praktijk maakt, kunnen deze bijeenkomsten niet als een soort overlegstructuur gezien worden. Van Lokhorst beschouwt zich als een lokale alleenheerser. Een conflict tussen hem en de hoofden en directeuren leidt tot het ontslag van de ambtelijke top. Lageren in de hiërarchie èn door Van Lokhorst benoemde 'kameraden' nemen de plaatsen van de ontslagenen in. De wethouders, op wethouder Van der Velden na, worden in de loop van 1943 ontslagen en vervangen door NSB-ers. In februari hadden zij allen ontslag aangevraagd. Het verzoek van Van der Velden wordt overigens pas in 1944 ingewilligd. Vanaf 1 februari 1944 heeft Nijmegen alleen nog NSB-wethouders. De benoeming en de bestuurspraktijk van Van Lokhorst kunnen als een laatste fase beschouwd worden van een proces van steeds verdergaande invloed van de bezetter op het plaatselijk bestuur.

Na de Tweede Wereldoorlog vinden er bestuurlijk gezien geen grote veranderingen plaats, behalve bij de raadscommissies, die vanaf de jaren zestig een apart bestuursorgaan gaan vormen en waarbij verschillende commissies worden afgeschaft en toegevoegd.

Inspraak[bewerken]

Om de burgerij meer mogelijkheden te geven te participeren in het overheidsbestuur worden vanaf 1985 functionele commissies geïntroduceerd. Functionele commissies worden ingesteld bij besluit van de gemeenteraad; hun taken en bevoegdheden worden nauwkeurig omschreven bij raadsverordening. Er zijn drie varianten:

  • Bestuurscommissies: Dit zijn commissies, welke bijvoorbeeld het bestuur van een instelling kunnen vormen. Het budget van dergelijke commissies valt meestal onder de Algemene Dienst van de gemeente begroting, maar het is ook mogelijk bestuurscommissies de bevoegdheid toe te kennen een eigen begroting en jaarrekening te hebben.
  • Commissies van Advies aan Burgemeester en Wethouders. Deze commissies adviseren slechts; B. en W. bepalen wat zij aan de raad willen voorleggen.
  • Commissies van Beleidsvoorbereiding . Deze commissies doen voorstellen aan de raad op het hun toevertrouwde terrein en komen daarmee in de plaats van het college van Burgemeester en Wethouders.[5]

Voetnoten[bewerken]

  1. Veldheer, V., Kantelend bestuur. Onderzoek naar de ontwikkeling van taken van het lokale bestuur in de periode 1851-1985, Rijswijk 1994 (Sociale en Culturele Studies 20, Sociaal en Cultureel Planbureau), p. 21.
  2. Poelje, G.A. van, Hedendaags gemeentewezen, Alphen aan den Rijn 1963, p. 95: "Dat de gemeentewet van 1851 ruimte gemaakt heeft voor een krachtige en gelukkige ontplooiing van het Nederlandse gemeentewezen wordt wel door niemand betwijfeld."
  3. Kocken, M.J.A.V., Van stads- en plattelandsbestuur naar gemeentebestuur.Proeve van een geschiedenis van ontstaan en ontwikkeling van het Nederlandse gemeentebestuur tot en met de grondwet van 1851, Den Haag 1973, p. 488
  4. Beijer. A.B.M., Gemeentelijk beleid in bezettingstijd, Nijmegen 1940-1944. Reacties van bestuur en ambtelijk apparaat op enige maatregelen van de bezetter, (scriptie GAN 1982), pp. 21-22.
  5. S.A.N. 5985

Bronnen[bewerken]

  • Gruppelaar, L., Lokaal bestuur en stedelijke overheid te Nijmegen, 1816-1851, Gemeentearchief Nijmegen, 1994.
  • Gruppelaar, L., Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1851-1919, Gemeentearchief Nijmegen, 1994.
  • Gruppelaar, L., Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1919-1945, Gemeentearchief Nijmegen, 1995.
  • Nabuurs, N., Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1945-1984, Gemeentearchief Nijmegen, 1996.

Verantwoording[bewerken]

Bewerking van de resultaten van onderzoek, gedaan in de jaren 1994-1996, naar lokaal bestuur en gemeentelijke overheid in Nijmegen door Lisette Kuijper (Regionaal Archief Nijmegen, 2010)

KENNISBANK
Verder graven in de historie van stad en omgeving
FACEBOOK
Op de hoogte blijven van het laatste nieuws van het Huis
EDUCATIE
Projecten en maatwerk voor het onderwijs
VERHALEN
Verteld verleden