header wiki – Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Gemeenteontvanger

Uit Huis van de Nijmeegse geschiedenis

Versie door RAN114 (overleg | bijdragen) op 16 aug 2017 om 08:08
Ga naar: navigatie, zoeken

De stadsontvanger, vanaf 1851 gemeenteontvanger geheten, is een soort penningmeester van het stadsbestuur. Hij is belast met de invordering van alle inkomsten en ontvangsten van de gemeente en behoort dus tot de administratieve tak van het bestuur.

Taken stadsontvanger

De stadsontvanger moet duidelijk te onderscheiden worden van de dienst belastingen. Naast de stadsontvanger kennen we immers de ontvanger der stedelijke belasting die het hoofd is van de plaatselijke belastingdienst. De functie van stadsontvanger is - misschien wat oneerbiedig - te omschrijven als penningmeester van het stadsbestuur. Deze functie is duidelijk geïncorporeerd binnen het lokaal bestuur. De stadsontvanger dient begrote inkomsten te innen. Die inkomsten bestaan niet alleen uit belastingen. Ook de pachtgelden van landerijen en de opbrengsten van verpachtingen van diensten en instellingen als bijvoorbeeld een Bank van Lening zijn voor de stad een bron van inkomst. Verder ontvangt de stad bijvoorbeeld nog gelden door opbrengsten van verkopingen van hakhout, gewassen en dergelijke. De functie van stadsontvanger houdt dus heel wat meer in dan het innen van de door de belastingdienst vergaarde gelden.

Een andere taak van de stadsontvanger is het doen van betalingen overeenkomstig de op de begroting vermelde post uitgaven. Hij mag geen betalingen doen dan met schriftelijke toestemming van een of meerdere burgemeesteren èn de secretaris. Om er toch maar zeker van te zijn dat de stadsontvanger zich onthoudt van financiële malversaties, is als extra veiligheidsmaatregel een borgtocht ingesteld. De positie van de stadsontvanger blijft tot 1851 dezelfde.

Gemeenteontvanger

Als gevolg van de gemeentewet van 1851 krijgt de stadsontvanger een andere naam. Na 1851 wordt de functie aangeduid met gemeenteontvanger. Mr. P.H.J. baron van Wassenaer van St. Pancras behoudt zijn betrekking als ontvanger. Burgemeester en Wethouders doen een voordracht van twee personen: Van Wassenaer en als tegenkandidaat J.V. Riveaux, hoofdontvanger van de stedelijke belastingen te Nijmegen. De raad kiest voor continuteit en geeft de voorkeur aan de vroegere stadsontvanger.

In dezelfde vergadering dat de instructie voor de gemeenteontvanger wordt vastgesteld, stelt de raad de taakomschrijving op voor de gemeenteontvanger.[1] Krachtens de instructie staat de gemeenteontvanger "onder de onmiddelijke bevelen van de Burgemeester en Wethouders". Hij is belast met de invordering van alle inkomsten en ontvangsten van de gemeente, en door hem worden alle betalingen der gemeente gedaan, behoudens enkele uitzonderingen. Bij alle verkopingen en verpachtingen is hij aanwezig. Dat de kas klopt en goed bewaakt wordt, is in zijn belang, want hij is persoonlijk aansprakelijk voor alle gelden die kwijt raken.[2]

Kantoor en personeel

De instructie van de ontvanger maakt wel melding van diens kantoor, maar van enig onder hem ressorterend personeel wordt geen gewag gemaakt. Tot 1 januari 1906 heeft de ontvanger persoonlijk mensen in dienst. Vanaf genoemde datum treedt zijn personeel in dienst van de gemeente. Vanaf 1906 groeit het aantal onder de ontvanger ressorterende ambtenaren van twee tot zes in 1919.[3]

De gemeenteontvanger heeft dus een eigen kantoor en tot 1905 heeft hij eigen mensen in dienst. In dat jaar richten de klerken ten kantore van de gemeenteontvanger een adres aan burgemeester en wethouders waarin zij verzoeken om een aanstelling als gemeenteambtenaar. Het college wil de benoeming, behoudens goedkeuring van het gemeentebestuur, aan de gemeenteontvanger laten blijven, maar de raad beslist anders. Benoeming en ontslag van de klerken worden een zaak van het college van Burgemeester en Wethouders[4] In 1905 bestaat het personeel op het kantoor van de gemeenteontvanger uit een hoofdklerk en een tweede klerk. In 1908 komen daar nog een tijdelijke klerk en een bediende bij. In 1915 zijn er op het kantoor, dat samen met bouw- en woningtoezicht gevestigd is in een gebouw aan de Ridderstraat, de volgende personen werkzaam: een hoofdklerk, een tweede klerk, twee derde klerken en een bewaarder van het gebouw aan de Ridderstraat. Hoewel de gemeenteontvanger een relatief zelfstandige positie inneemt binnen het gemeentelijk apparaat, vormt hij er wel een belangrijk onderdeel van. Voor een goede uitoefening van zijn taken is hij afhankelijk van de secretarie, de dienst belastingen en van het naar behoren functioneren van allerlei ambtenaren die zorgen voor de inning van gelden voor de gemeente.

In het begin van de 20e eeuw heeft het kantoor van de gemeenteontvanger zich ontwikkeld van een onderdeel met 'eigen', door de ontvanger betaald, personeel tot een in de lokale overheid volledig geïntegreerd apparaat met gemeentelijk personeel. In 1919 werken er onder de gemeenteontvanger een commies, een adjunct-commies, een klerk 1e klas en 3 klerken 2e klas. In de oorlogsjaren bestaat het personeel behalve uit de gemeenteontvanger nog steeds uit 6 personen: 2 commiezen, 2 adjunct-commiezen, 1 klerk 1e klas en 1 deurwaarder.

Uitbreiding werkzaamheden

Met het uitdijen van het gemeentelijk apparaat en van de binnenkomende en uitgaande geldstromen nemen de werkzaamheden van het kantoor van de gemeenteontvanger toe. Dat het personeelsbestand op het ontvangkantoor slechts een bescheiden groei doormaakt, heeft deels te maken met het feit dat tal van werkzaamheden al elders in het gemeentelijk apparaat worden uitgevoerd en deels door de zelfstandige positie die de gemeentebedrijven innemen. Vanaf 1910 zijn die bedrijven zelfs financieel geheel zelfstandig. In de raadsvergadering van 11 juni 1910 is besloten dat de gemeenteontvanger niet langer te belasten met de invordering van alle inkomsten en ontvangsten en met het verrichten van alle betalingen. De inkomsten, ontvangsten en betalingen ter zake van de exploitatie der Electriciteitswerken, Gemeente Gasfabriek en Waterleiding vallen niet langer onder de gemeenteontvanger.[5]De gemeenteontvanger beheert daarnaast het Eversfonds en het Van Schaeck Mathonfonds.

Voetnoten

  1. Vergadering 21 november 1851, zie: raadssignaten 1851, 161 r. en volgende
  2. Voor de instructie van de gemeenteontvanger zie: S.A.N., seriedelen 455, f. 21 v. en volgende. De instructie wordt meerdere malen herzien (10 mei 1879, 12 november 1904 en 18 februari 1911). De laatste instructie opgesteld in deze periode dateert van 4 april 1911, zie Gemeenteblad, 1911, no. 18.
  3. Zie gemeenteverslag, 1905, p. 15 en gemeenteverslag, 1919, p. 34.
  4. Gemeenteverslag, 1905, p. 19.
  5. Gemeenteverslag, 1910, p. 27.

Bronnen

  • Gruppelaar, L., 'Lokaal bestuur en stedelijke overheid te Nijmegen, 1816-1851', Gemeentearchief Nijmegen, 1994.
  • Gruppelaar, L., 'Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1851-1919', Gemeentearchief Nijmegen, 1994.
  • Gruppelaar, L., 'Lokaal bestuur en gemeentelijke overheid te Nijmegen, 1919-1945', Gemeentearchief Nijmegen, 1995.

Verantwoording

Bewerking van de resultaten van onderzoek, gedaan in de jaren 1994-1996, naar lokaal bestuur en gemeentelijke overheid in Nijmegen door Lisette Kuijper (Regionaal Archief Nijmegen, 2010)


KENNISBANK
Verder graven in de historie van stad en omgeving
FACEBOOK
Op de hoogte blijven van het laatste nieuws van het Huis
EDUCATIE
Projecten en maatwerk voor het onderwijs
VERHALEN
Verteld verleden