header wiki – Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Timmerliedenambt Nijmegen

Uit Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Versie door RAN114 (overleg | bijdragen) op 4 aug 2017 om 13:16
(wijz) ← Oudere versie | Huidige versie (wijz) | Nieuwere versie → (wijz)
Ga naar: navigatie, zoeken
Algemene gegevens
Naam : Timmerliedenambt Nijmegen
Andere naam (namen):
  • Nijmeegsche gilde der timmerlieden
  • Timmermansambt

Bestaansperiode: 1550 - 1789
Rechtsvorm:
Voorganger(s):

Opvolger(s):

Hoger orgaan:

Archief
Het archief van deze organisatie is in beheer bij het Regionaal Archief Nijmegen. De toegang met de beschrijving van de stukken is bereikbaar via deze link:
Icoon archief.png
Naar beschrijving archief

Geschiedenis

Een der vier grote gilden van Nijmegen was dat der Timmerlieden. Meerdere ambten of ambachten waren daarin vereenigd: timmerlieden, schrijnwerkers, kistenmakers, kuipers, wieldraaiers ("raaimakers"), stoelendraaiers ("wrijters"), beeldsnijders en mandenmakers. Het ambacht der mandenmakers werd den 15 juni 1746 door den magistraat uit den ambtsbrief gelicht, zoodat het mandenmaken toen vrij werd voor allen, ook voor niet-burgers.
Het Nijmeegsche gilde der timmerlieden, in de stukken doorgaans "Timmerluydenambt" of "Timmermansambt" geheeten, was evenals de meeste andere gilden van middeleeuwschen oorsprong. Het onderhield in de St.Stevenskerk het St.Thomasaltaar en ook een geschilderd glasvenster, "het glas van de Timmerluyden", dat werd vernield bij den beeldenstorm van 1579, maar hersteld in 1585, toen de stad weder in Spaansche handen was gekomen.

Ook nadat in 1592 de Hervormde godsdienst definitief de heerschende was geworden in stad en schependom van Nijmegen, moest het Timmerliedenambt zijn venster in de Stevenskerk blijven onderhouden. Bovendien werd het, op dezelfde wijze als de overige ambten, door den magistraat genoodzaakt, aan gemelde kerk borden met spreuken en een koperen kroon te verschaffen. De timmerlieden gaven zulk een kroon in 1646. Het duurde tien jaar, vóór de hooge kosten door de ambtsgenooten waren opgebracht (Inventaris, no. 10).

De namen der bestuurders zijn ons bekend vanaf het jaar 1550 (Inventaris, no.1). Hoe de organisatie van het ambt er destijds uitzag, weten wij niet met de gewenschte nauwkeurigheid. Wel kan met zekerheid worden gezegd, dat het groote gilde der timmerlieden een aanmerkelijken invloed kon uitoefenen op het stedelijk bestuur: het was immers vanwege zijn grootte behoorlijk vertegenwoordigd in het St. Claesgild, in welks bijzijn de magistraat der stad al zijn besluiten moest nemen. Dit veranderde na de reductie der stad in 1592: het St. Claesgilde werd toen opgeheven en vervangen door een college van gemeenslieden. De Spaansgezindheid van het St. Claesgilde werd als voorwendsel te baat genomen om den politieken invloed der gilden te verminderen.

In verband met dezen omkeer was omstreeks 1600 een wijziging in het statuut van alle gilden noodzakelijk. Men ziet dan ook, dat in die jaren de gilden stuk voor stuk nieuwe ambtsbrieven uit de handen van den magistraat ontvingen. De nieuwe ambtsbrief der timmerlieden dateert van 23 aug. 1592. Geleidelijk aan werd in den kring der ambachten ook de politieke reformatie doorgevoerd. Op 21 juni 1667 bepaalde de magistraat, dat slechts Hervormden
tot het lidmaatschap en het bestuur der gilden mochten worden toegelaten. (Inventaris, no. 22, fol.75) (1).

(1) Een stuk van dezen inhoud was vermoedelijk ook in bezit van het Chirurgijns college; vgl. den inventaris daarvan, Aanhangsel II, no. 2, stuk no.27.

Organisatie

Van het jaar 1592 af, waarin de nieuwe ambtsbrief werd verleend, is de organisatie van het Timmerliedenambt genoegzaam bekend. Het bestuur bestond uit 8 meesters, te weten 6 oudmeesters en 2 nieuwe meesters. De laatsten waren zij, die in het begin van het loopende rekenjaar tot meesters waren gekozen. De boekhouder, die een oudmeester moest zijn, werd evenals alle andere functionarissen gekozen voor den duur van één jaar. De boekhouder, de jonkmeester en de twee nieuwe meesters vormden samen de 4 meesters "ter tijt" of "in der tijt", d.w.z. meesters in functie.

De maandelijksche teerdagen met vergaderingen werden (en moesten worden) gehouden in de Stadsherberg of het Stadslogement, op Marienburg gevestigd in de oude Schuttersdoelen, welke in 1692 door de stad voor dit doel aan de gezamenlijke gilden was verhuurd.

Het ambtsjaar en het boekjaar der rekeningen ving aan en eindigde met het feest van den gildepatroon, den Apostel Thomas (21 december).(1) Op dat feest had het aftreden ("afsterven", "versterven", "afgaan") plaats van de vier zittende meesters en werden hunne opvolgers gekozen. Dan werd ook "het boek" afgehoord, d.w.z. de jaarrekening van ontvangst en uitgaaf van den boekhouder, ten overstaan van de oude en de nieuwe meesters. Van 15 dec. 1669 af behoefden de gemeene meesters bij het afhooren der rekening niet meer tegenwoordig te zijn (Inventaris, no. 22, fol.42).

Onder het nieuwe statuut schijnt de functie van den boekhouder van steeds grooter gewicht te zijn geworden. Hij legde nu alleen de jaarrekening over, terwijl dit in de 16e eeuw geschiedde door de gezamenlijke meesters. Van 1653 af nam hij ook de meesters en de leerknechten aan. Deze aannemingen, die nu haar karakter van bestuursdaden verloren en niet meer waren dan daden van registratie, moest hij verantwoorden in de jaarlijksche rekeningen van ontvangst en uitgaaf(Inventaris, no. 10, fol.1). Ook nam de boekhouder op het stadhuis van de kuipers, die zoojuist hun meesterproef volbracht hadden, den eed af, waarbij zij zich verplichtten, de biertonnen op behoorlijke grootte te zullen maken. Daarnaast voerde hij nog het secretariaat, het penningmeesterschap en het beheer van het archief. Het archief was in 1664, blijkens een aanteekening van dat jaar (Inventaris, no. 10, fol.59), geborgen in de "ambtskist". Vrij zeker is daaronder te verstaan, de fraai besneden, maar betrekkelijk kleine kist van het Timmerlieden- ambt, die zich nog in het Gemeentemuseum bevindt. Zij draagt het jaartal 1653 en is ook wel in dat jaar op last van het gildebestuur vervaardigd, omdat op de voorzijde de meesterteekens gesneden zijn van den toenmaals regeerenden boekhouder Jan Peters en van den meester "in der tijt" Adriaan van Ee.

(1) H.D.J.van Schevichaven,"De Nijmeegsche ambten en gilden", blz.36, 38 (in;"Sprokkelingen". Nijmegen 1925) vergist zich wel, als hij St.Joseph als patroon van het Timmerliedenambt noemt, verwijzend naar het vaandel van het gilde in het Gemeentemuseum, waarop St.Joseph zou zijn afgebeeld. Dit vaandel is thans onvindbaar. Vermoedelijk heeft Van Schevichaven de afbeelding van St.Thomas voor die van St.Joseph aangezien. De algemeene vereering van St.Joseph is pas van jongen datum

Locatie

-: Nijmegen

Verantwoording

Inleiding van de toegang op het archief door P.C. Boeren. (1942)



KENNISBANK
Verder graven in de historie van stad en omgeving
FACEBOOK
Op de hoogte blijven van het laatste nieuws van het Huis
EDUCATIE
Projecten en maatwerk voor het onderwijs
VERHALEN
Verteld verleden