header wiki – Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Vrouwenkloosters en begijnhuizen

Uit Huis van de Nijmeegse Geschiedenis

Versie door RAN2 (overleg | bijdragen) op 13 jul 2010 om 17:08
Ga naar: navigatie, zoeken

In Nijmegen waren in de late middeleeuwen maar liefst acht kloosters gevestigd. Kloosters zijn gemeenschappen, waarvan de zusters een officiële gelofte aflegden en een regel aannamen. In Nijmegen werd meestal gekozen voor de Derde Regel van St. Franciscus of die van Augustinus. Alle kloosters in Nijmegen werden rond 1591 opgeheven als gevolg van de Reductie van Nijmegen, waarbij de stad in protestantse handen viel. Naast de kloosters telde Nijmegen ook nog zes begijnhuizen. Begijnen vormen een vrije lekengemeenschap en hoeven geen officiële beloften af te leggen. Ze beloven weliswaar kuisheid, maar ze mogen wel geldelijk en onroerend eigendom in bezit hebben. Van deze begijnhuizen is nauwelijks iets overgeleverd, omdat ze meestal zijn overgegaan tot een kloostergemeenschap.

Op Vrouwenkloosters staat een overzicht van artikelen over middeleeuwse vrouwenkloosters en begijnhuizen in Nijmegen.

Van begijnhuis naar kloostergemeenschap

Niet zelden vormen laat-middeleeuwse vrouwenkloosters voortzettingen van begijnhoven. Ook in Nijmegen is dit vaak het geval. De kloosters Mariënburg en Hessenberg vormen hier voorbeelden van. Deze overgang van een vrouwengemeenschap van (open) begijnhuis naar (gesloten) kloostergemeenschap kenmerkt zich door de aanname van een regel. Er kon gekozen worden voor de regel van de Zusters van het Gemene Leven of voor een ‘echte’ kloosterregel. Gemeenschappen die onder invloed stonden van de Moderne Devotie, kozen vaak de regel van Augustinus of de Derde regel van St. Franciscus. De belangrijkste reden om te kiezen voor één van deze twee regels is dat ze beiden de vrouwen relatief vrij lieten. Strengere regels, zoals die van de Kartuizers en Cisterciënzers, pasten niet in de relatief ongebonden levensstijl van de begijnen en andere stedelijke religieuze vrouwen. Heel verwonderlijk is de keuze voor tamelijk vrije regels niet: het gaat namelijk om vrouwen, die in hun leven het dienen van God centraal gesteld hebben zonder kloosterling te worden.[1]

De relatie tussen de stad en haar kloosters

Veel door de Moderne Devotie geïnspireerde vrouwenkloosters waren in de stad gelegen of kwamen op een bepaald moment binnen de stadsmuren te liggen. Met uitzondering van het klooster St. Agnes liggen alle kloosters in de binnenstad van Nijmegen. Het mag dan ook weinig verwonderlijk heten dat de stad met haar kloosters in contact stond. Op economisch gebied hebben de steden zich uitvoerig met de kloosters beziggehouden.[2] Al vanaf de vroege 15de eeuw hebben steden geprobeerd de economische uitgroei van kloosters binnen de stadsmuren tegen te gaan, omdat dit schadelijk zou zijn voor hun eigen macht (ten opzichte van de kerk en niet in de minste plaats met het oog op belastingheffing) en voor de gilden in de stad (van wie de kloosters mogelijkerwijs concurrenten konden zijn). Op verschillende manieren probeerden steden paal en perk te stellen aan de economische ontwikkeling van de kloosters:

  1. beperken van schenkingen/medegaven aan (aanstaande) kloosterlingen
  2. dwingen tot uiterving, maatregelen tegen het opheffen van kloostergoed (in Nijmegen gebeurde dit in 1454)
  3. paal en perk stellen aan de overdracht van onroerende goederen aan kloosters en de aankoop van onroerende goederen door kloosters (in Nijmegen in 1523)
  4. verbod op het belasten van kloostergoed

Hoezeer deze regels ook daadwerkelijk gehandhaafd werden, is echter de vraag. In Nijmegen lijken ze lange tijd dode letter te zijn geweest, met uitzondering van het vierde punt.[3] De stad vormde echter niet alleen een beperking; kloosters werden ook regelmatig door de stad ondersteund. Zo droeg de stad vaak bij aan verbouwingskosten en in tijden van gebrek schonk zij de zusters voedsel. Religieuze vrouwen vormden een belangrijk onderdeel van het stadsleven, vooral in steden als Nijmegen waar veel begijnhuizen, conventen en kloosters waren. Zoals zij het straatbeeld mede bepaalden, droegen hun huizen bij aan het aangezicht van de stad, vooral in de vorm van kapellen. Verder speelden zij een rol bij de armen- en ziekenzorg in de steden. De cellezusters vormden hiervan het duidelijkste voorbeeld in Nijmegen.

Relaties tussen kloosters onderling

Kloosters stonden niet alleen in relatie tot de stad, maar ook in relatie tot elkaar. Deze relatie kan op verschillende manieren tot stand zijn gekomen. In de eerste plaats kan het ene klooster vanuit het andere worden gesticht. Zo trokken in 1422 twee zusters vanuit Mariënburg in Nijmegen naar Diest, waar zij het regularissenklooster Mariëndaal te Diest stichtten.[4] Daarnaast konden kloosters met elkaar in contact staan via het kapittel waarbij ze waren aangesloten of via de Ordeprovinciaal onder wiens toezicht zij stonden. Mariënburg was op deze manier in sterke mate verbonden met het regularissenklooster in Diepenveen: beide waren lid van het kapittel van Windesheim. Daarbij had Diepenveen een voorbeeldfunctie voor het Nijmeegse klooster.[5] Een derde manier ten slotte was de relatie tussen een vrouwenklooster en het klooster van de visiterende provisoren. Zo waren verschillende Nijmeegse vrouwenkloosters verbonden met het Regulierenklooster St.Catharina, eveneens in de stad gelegen en bovendien ook bij het kapittel van Windesheim aangesloten. Andere mogelijke contacten zijn bijvoorbeeld het klooster Gaesdonck bij Goch (voor de Hessenberg onder andere) en de Abdij van Berne te Heeswijk-Dinter (via het klooster Mariënweerd met Maria Magdalena in Nijmegen verbonden). Deze relaties zijn enorm belangrijk, niet in de minste plaats omdat aan de hand daarvan kan worden nagegaan waar de archieven van de verschillende Nijmeegse vrouwenkloosters na de Reductie van de stad in 1591 naartoe zijn gebracht. Ook geven ze indicaties waar meer relevant bronnenmateriaal gevonden kan worden.

Voetnoten

  1. F.W.J. Koorn, ‘Ongebonden vrouwen. Overeenkomsten tussen en verschillen tussen begijnen en zusters des Gemenen Levens’ 393-401, daaruit 393. Het volgende deel is tevens op dit artikel gebaseerd.
  2. Van Schaïk, R. van, Mariënburg. Over de goederen en rechten van een Nijmeegs klooster in de XVe en XVIe eeuw (Nijmegen 1973-1974) 35.
  3. Dit wordt duidelijk uit de uitvoerige correspondentie tussen Mariënburg en de raad, als het klooster rond 1572 grond wil bezwaren met een hypotheek om zo de kosten te kunnen dekken; R. van Schaik, Mariënburg. Een onderzoek naar goederen en rechten van een Nijmeegs klooster in de XVe en XVIe eeuw (Nijmegen 1973-1974) 36.
  4. Schaïk, R. van, ‘Een nieuw licht op de vroegste geschiedenis van het Nijmeegse klooster Mariënburg?’, Numaga 23 (1976) 84; In 1796 wordt de gemeenschap a.g.v. oorlogsgeweld gedwongen te verhuizen naar Eersel en in 1801 naar St. Oedenrode.
  5. Meijer, G.A., Katholiek Nijmegen 78. Voor informatie over het klooster Diepenveen leze men W. Scheepsma, het ootmoedig fundament van Diepenveen. Zeshonderd jaar Maria en St.Agnesklooster 1400-2000 (Kampen 2002).

Verwijzingen

Bronnen

  • Cissen, Martijn, Vrouwenkloosters en begijnhuizen in Nijmegen (Nijmegen, 2004).
  • Koorn, F.W.J., ‘Ongebonden vrouwen. Overeenkomsten tussen en verschillen tussen begijnen en zusters des Gemenen Levens’ 393-401
  • Meijer, G.A., Katholiek Nijmegen 2 dln. (Nijmegen 1904-1905) dl.1 78.
  • Schaïk, R. van, Mariënburg. Over de goederen en rechten van een Nijmeegs klooster in de XVe en XVIe eeuw (Nijmegen 1973-1974).

Verantwoording

Bewerking van Martijn Cissen, Vrouwenkloosters en begijnhuizen in Nijmegen (Nijmegen, 2004) door Lisette Kuijper (Regionaal Archief Nijmegen, 2010)


KENNISBANK
Verder graven in de historie van stad en omgeving
FACEBOOK
Op de hoogte blijven van het laatste nieuws van het Huis
EDUCATIE
Projecten en maatwerk voor het onderwijs
VERHALEN
Verteld verleden